>Arbeidsongeschikt door de fout van een derde
arbeidsongeschikt

Door Stefaan Sonck – 21/10/2016 – In de kijker

arbeidsongeschikt door fout van een derde: recht op vergoeding voor de werkgever?

Aansprakelijkheid en herstelplicht: een drievuldigheid

Het aansprakelijkheidsrecht is een onuitputtelijke bron van juridische spielerei, zij het met vaak verstrekkende gevolgen.

De drievuldigheid “fout-schade-oorzakelijk verband” vormt nog steeds de hoeksteen van het gewoon aansprakelijkheidsrecht. Wie door zijn fout aan een ander schade berokkent, dient deze schade te herstellen of te vergoeden. De benadeelde moet worden teruggesteld in een toestand alsof er geen fout was gepleegd en dus geen schade was opgetreden.

De wet zelf is vrij beknopt geformuleerd (artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk wetboek), maar over elk van die drie pijlers bestaan lijvige handboeken. Met de regelmaat van een klok verstrekken het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof de nodige preciseringen bij de interpretatie van deze regels in de zovele diverse gevallen.

In de arbeidsrechtelijke verhouding bestaan bijzondere regels voor het geval de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een arbeidsongeval (privésector: wet 10 april 1971; openbare sector: wet 3 juli 1967). Hierin wordt een subrogatierecht voorzien voor de werkgever (of diens verzekeraar) tegen de aansprakelijke derde: de uitgaven die ten gunste van de werknemer worden gedaan kunnen worden gerecupereerd bij de aansprakelijke voor zover en in de mate dat de werknemer zelf een vordering zou kunnen formuleren tegen de aansprakelijke.

Tegen de derde kunnen echter ook volgens het gewoon aansprakelijkheidsrecht (bijkomende) vorderingen worden gesteld telkens wanneer de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een door een derde gepleegde fout.

Kan met name de betaling van loon voor een arbeidsongeschikt werknemer, worden teruggevorderd van de aansprakelijke? Is er schade, en is die wel veroorzaakt door de fout van de derde?

Over oorzakelijkheid en schade

Zowat 30 jaar geleden werd het debat inzake de onderbreking van het oorzakelijk verband door een eigen juridische oorzaak, opnieuw aangezwengeld. Waarover ging het? De bal ging aan het rollen toen vergoeding werd gevorderd voor schade veroorzaakt bij een verkeersongeval, aan bij voorbeeld verlichtingspalen of verdeelkasten. Het nutsbedrijf rekende naast de kost voor de vervanging van de materialen, ook personeelskost aan (hersteller en administratieve kost).

Door kritische aansprakelijken werd echter voorgehouden dat, wanneer een uitgave (betaling van loon voor de hersteller en voor de administratie) wordt gedaan door een benadeelde  en hij deze uitgaven tóch moest doen, ongeval of niet, deze uitgave een eigen oorzaak had (met name de arbeidsovereenkomst), waardoor de aansprakelijke voor het ongeval niet voor deze uitgave diende op te draaien.

Om dit te counteren werd vervolgens door de benadeelden voorgehouden dat geen loon stricto sensu werd gevorderd, maar een vergoeding voor het derven van prestaties van de hersteller en de administratie, die niet konden ingezet worden voor ander werk…

Door het Hof van Cassatie werd later gepreciseerd dat deze discussie eigenlijk geen betrekking heeft op het vereiste oorzakelijk verband tussen fout en schade, maar veeleer op de vraag of er vergoedbare schade is.

Geoordeeld wordt dat de werkgever die geen beroep kan doen op een werknemer (omdat die het slachtoffer werd van een ongeval waarvoor een derde aansprakelijk is), maar die niettemin gehouden is verder loon te betalen, hierdoor schade lijdt waarvoor hij vergoeding kan bekomen van de aansprakelijke derde. Hierop wordt een uitzondering voorzien wanneer uit de wet (of het reglement, of de overeenkomst) zou blijken dat het de bedoeling was dat de betaling van het loon definitief ten laste van de werkgever moet blijven. In dat geval kan niet gerecupereerd worden bij de aansprakelijke.

Andere uitgaven die de werkgever zich zou moeten getroosten, maar die geen tegenprestatie voor arbeid zijn (zoals uitgaven die krachtens een verzekeringsovereenkomst verschuldigd zijn) vormen geen vergoedbare schade.

Recent bracht het Grondwettelijk Hof deze principes in herinnering (arrest 136/2016 van 20 oktober 2016) bij de beoordeling van prejudiciële vragen die werden gesteld in een geding dat door de Europese Unie werd aangespannen naar aanleiding van een dodelijke aanrijding, door een tram, van een parlementair ambtenaar. De Unie vorderde terugbetaling van medische kosten, gewaarborgde bezoldiging, kapitaal bij overlijden en wezenpensioen.

Het Hof oordeelde dat de beperking van de vergoedbare schade tot de betalingen die zonder de normale tegenprestatie van arbeid zijn verricht, berust op een objectief en pertinent criterium en dus geen schending in houdt van het gelijkheidsbeginsel.

Recht op vergoeding?

Wie als werkgever een personeelslid moet missen ingevolge een fout van een derde (men denke aan slachtoffers van verkeersongevallen, sportongevallen, e.d.) en gehouden is tot betaling van loon ofschoon de werknemer geen prestaties kan leveren, is dus in beginsel gerechtigd op vergoeding ten laste van deze derde. Het gewaarborgd (maand)loon dat (geheel of ten dele) ten laste valt van de werkgever of de overheid, betreft immers een vergoeding die normaal als tegenprestatie voor arbeidsprestaties wordt betaald.

Het is dus aanbevelenswaard om de aansprakelijke of diens verzekeraar hieromtrent aan te schrijven.

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2018-06-05T22:08:54+00:00