>Arrestatietermijn verlengd tot 48 uur
arrestatie

Door Wahib El Hayouni – 07/12/2017 – In de kijker

arrestatietermijn verlengd tot 48 uur

De termijn waarbinnen een rechterlijk bevel noodzakelijk is om een arrestatie te laten voortduren, is niet langer 24 maar 48 uur. Daartoe werden zowel de Grondwet als de wet betreffende de voorlopige hechtenis gewijzigd. Beide wijzigingen traden onmiddellijk in werking bij de publicatie in het Belgisch Staatsblad op 29 november 2017.

Grondwettelijke waarborg

De Belgische Grondwet bepaalt binnen welke termijn een gearresteerde persoon voor een rechter moet verschijnen. Die rechter oordeelt dan over de eventuele aanhouding van die persoon.

Deze door de Grondwet beschermde termijn werd steeds beperkt tot 24 uur.

Artikel 12 van de Grondwet luidde namelijk:

‘(…) Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren (…)’.

Bijstand van een advocaat

Sinds de inwerkingtreding van de zogenaamde Salduz-wet op 1 januari 2012 heeft een verdachte die wordt gearresteerd in elk geval recht op bijstand van een advocaat bij zijn verhoor (dit recht werd door de Salduz bis-wet op 27 november 2016 verder uitgebreid naar andere verdachten). Via een portaalsite wordt hetzij een advocaat naar keuze (van de verdachte uiteraard) opgeroepen, dan wel een advocaat van de permanentiedienst. Die advocaat heeft dan 2 uur om ter plaatse te komen.

Eens ter plaatse heeft de verdachte recht op een voorafgaand vertrouwelijk overleg van 30 minuten met zijn advocaat.

Tijdens het verhoor kan op verzoek van de verdachte (of zijn advocaat) het verhoor eenmalig onderbroken worden voor een nieuw vertrouwelijk overleg van 15 minuten.

Deze bijkomende waarborgen voor de verdachte hebben onder andere geleid tot de wijziging van de Wet op de voorlopige hechtenis, met de invoering van artikel 15bis dat de mogelijkheid bood aan de onderzoeksrechter om op verzoek van het openbaar ministerie (of zelfs ambtshalve), een eenmalig bevel tot verlenging van de termijn van 24 uur te betekenen aan de verdachte. Deze verlenging was slechts eenmalig mogelijk en enkel in het geval van ‘bijzondere omstandigheden’.

Er werd namelijk gevreesd dat de termijn van 24 uur in sommige gevallen te kort zou zijn voor het organiseren van de vereiste bijstand bij het verhoor.

Een verlenging van 24 uur betekende echter niet dat de termijn van 24 uur automatisch kon worden verdubbeld. De bijkomende termijn werd namelijk gevoegd aan de reeds verstreken tijd op het ogenblik dat het bevel tot verlenging werd betekend aan de verdachte.

EVRM

Anders dan de Belgische Grondwet, bepaalt het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (kortweg het ‘EVRM’) in artikel 5.3 geen specifieke termijn. Die bepaling schrijft namelijk voor dat eenieder die gearresteerd wordt ‘(…) onmiddellijk (…)’ voor een rechter moet worden gebracht.

Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) kan men wel afleiden dat maximumtermijnen tot 96 uur de toets van het EHRM kunnen doorstaan.

Een termijn van 48 uur alvorens een rechterlijke beslissing moet vallen, is het meest gebruikelijk in de verdragsstaten van het EVRM. De Belgische grondwettelijke regel waarin een rechterlijke beslissing tot aanhouding moest vallen binnen 24 uur werd door sommigen ongebruikelijk streng bevonden. Een dergelijk korte termijn wordt namelijk enkel nog gebruikt in Luxemburg, IJsland, Slovenië, Bulgarije, Roemenië en Macedonië.

Het is trouwens al lange tijd zo dat door parketmagistraten en sommige onderzoeksrechters gesteld wordt dat de termijn van 24 uur in vele gevallen te kort is. Vooral in complexe dossiers met verschillende verdachten waarbij ook talrijke daden van onderzoek noodzakelijk zijn (bijvoorbeeld in een terreurzaak). Tot nu toe werd echter geen politieke meerderheid bereid gevonden om hiervoor de Grondwet te wijzigen (de mogelijkheid tot verlenging van de arrestatietermijn die was ingevoerd met de Salduz-wet, vereiste geen wijziging van de Grondwet aangezien er daarbij nog steeds sprake was van een rechterlijk bevel dat binnen de 24 uur werd verleend).

Verlenging naar 48 uur

Blijkbaar was de tijd nu wel rijp voor een herziening van artikel 12 van de Grondwet, wat door de (grond)wetgever werd gemotiveerd onder de noodzaak ‘(…) om efficiënt te kunnen strijden tegen terrorisme en alle andere vormen van criminaliteit (…)’.

Hierbij werd vanaf 29 november 2017 de termijn van 24 uur algemeen verlengd naar 48 uur.

De onderzoeksrechter dient dan ook binnen een termijn van 48 uur te beslissen dat een gearresteerde verdachte ofwel (z)onder voorwaarden in vrijheid wordt gesteld, ofwel dat hij aangehouden wordt en derhalve in voorlopige hechtenis wordt geplaatst (al dan niet onder elektronisch toezicht).

Indien de onderzoeksrechter beslist om de verdachte aan te houden, dan moet de raadkamer binnen de 5 dagen na de aanhouding beslissen of het bevel tot aanhouding wordt gehandhaafd. Tegen die beslissing kan binnen de 24 uur – deze termijn is wel ongewijzigd gebleven – hoger beroep worden aangetekend, waardoor de zaak in graad van beroep zal worden behandeld voor de kamer van inbeschuldigingstelling.

De algemene verlenging naar 48 uur maakt het eenmalige bevel tot verlenging, zoals voorzien in artikel 15bis van de Wet op de voorlopige hechtenis, volstrekt zinloos. Die bepaling werd dan ook opgeheven.

Eventuele onregelmatigheden met betrekking tot het bevel tot aanhouding kunnen enkel worden opgeworpen bij de eerste verschijning voor de raadkamer met het oog op de handhaving van de voorlopige hechtenis. Ook is het zo dat alleen bij de eerste verschijning cassatieberoep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over het hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer.

Het is dus zeker van belang om meteen na de arrestatie de verdediging optimaal voor te bereiden.

Laten we hopen dat met de verdubbeling van de arrestatietermijn de onderzoeksrechters ook dubbel zo lang zullen kunnen nadenken over het ‘(…) uitzonderlijk karakter van de voorlopige hechtenis (…)’ en het belang van ‘(…) alternatieve maatregelen voor de voorlopige hechtenis (…)’. Ook dát heeft de wetgever tenslotte uitdrukkelijk gewild …

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2018-06-05T21:49:52+00:00