>Waarom burgerinfiltratie niet zonder gevaar is
burgerinfiltrant

Door Joachim Meese – 01/09/2016 – In de kijker

waarom burgerinfiltratie niet zonder gevaar is

Op verschillende media werd vandaag bericht over de rede van de procureur-generaal van Brussel, Johan Delmulle, bij de opening van het gerechtelijk jaar. Daarin pleitte hij onder meer voor de invoering van de mogelijkheid om burgers als infiltrant in te zetten in de strijd tegen terreur. “Een burgerinfiltrant zou directe en actieve bijstand moeten kunnen leveren aan de opsporing, en in welbepaalde omstandigheden welbepaalde strafbare feiten moeten kunnen plegen om zijn informatiepositie te behouden, of om het welslagen van zijn opdracht of de veiligheid van personen te verzekeren. Uiteraard zou bij de federale politie en het openbaar ministerie een sluitend controlesysteem moeten worden in plaats gesteld”, zo luidde het.

Wat is een burgerinfiltrant?

In België, maar ook in de meeste andere landen, kan enkel worden geïnfiltreerd door een daartoe speciaal opgeleide politieambtenaar. Een infiltratie is een zogenaamde ‘bijzondere opsporingsmethode’ en houdt in dat een politieambtenaar, onder een fictieve identiteit, duurzaam contact onderhoudt met een of meerdere personen waarvan er ernstige aanwijzingen zijn dat zij zich inlaten met een criminele organisatie of dat zij ernstige feiten plegen. De infiltrant kan ook toegestaan worden om in het kader van de infiltratie bepaalde misdrijven te plegen.

Infiltratie door een burger is dus verboden. De politie kan wel contacten onderhouden met burgers die banden hebben met het criminele milieu en hen vergoeden voor het leveren van informatie (de zogenaamde informantenwerking), maar kan geen burgers inschakelen om te infiltreren. Die keuze heeft de wetgever uitdrukkelijk gemaakt in 2003, toen de bijzondere opsporingsmethoden wettelijk werden geregeld.

Tussen informant en infiltrant is echter slechts een dunne lijn. Van zodra een informant door de politie gestuurd wordt om misdrijven te plegen of deel uit te maken van een criminele organisatie (wat op zichzelf ook al strafbaar is), is er eigenlijk sprake van infiltratie. Een informant kan immers niet worden toegelaten misdrijven te plegen, een infiltrant wel. Pleegt een informant een misdrijf, dan is hij daarvoor verantwoordelijk net zoals elke andere burger.

Ervaringen uit het verleden

De keuze van de wetgever om geen  burgerinfiltratie toe te staan, had onder meer te maken met de ervaringen uit het verleden. Lang vooraleer de bijzondere opsporingsmethoden wettelijk werden geregeld, werd er namelijk al gebruik van gemaakt. Begin de jaren zeventig van de vorige eeuw werd onder minister van justitie Vranckx het BCI (Bestuur van de Criminele Informatie) opgericht, dat onder meer tot taak had om te infiltreren in het criminele milieu. Kort daarop volgde de oprichting van het NBD (Nationaal Bureau voor Drugs) in de schoot van de toenmalige rijkswacht. Vrij snel kwamen echter allerhande duistere praktijken aan het licht, waaronder het kwijtspelen van een belangrijke geldsom (1.650.000 frank) aan een burgerinfiltrant en zelfs het zelf op de markt brengen van in beslag genomen cocaïne om dat verlies te verdoezelen.

Ook in Nederland hebben politieschandalen ertoe geleid dat het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden aan banden werd gelegd en dat burgerinfiltratie werd verboden. Er was immers aan het licht gekomen dat onder het toeziend oog van het IRT (Interregionaal Recherche Team) enorme hoeveelheden drugs naar Engeland werden overgebracht waarmee sommige criminele burgerinfiltranten schatrijk zijn geworden. Zo is er het verhaal van Kees C., oorspronkelijk een onbesproken tandtechnicus uit Haarlem maar geëindigd als miljonair met de hulp van het IRT. Niet alleen mocht hij zijn miljoenenwinst verdiend met drughandel houden, hij kreeg er uiteindelijk nog 2 miljoen gulden bij van de Nederlandse Staat omdat zijn ware identiteit aan het licht was gekomen bij een criminele organisatie waardoor hij niet langer veilig was. Ook de verhalen over andere criminele burgerinfiltranten lieten weinig aan de verbeelding over. Toen dit alles aan het licht kwam, leidde het tot een schandaal en het opstarten van een parlementair onderzoek door de zogenaamde Commissie Van Traa in 1994. Uiteindelijk werd in 1998 beslist om burgerinfiltratie te verbieden, al is het wel zo dat vanaf 2003 gesteld werd dat dit verbod niet geldt als er aanwijzingen zijn van een terroristisch misdrijf. Sinds maart 2014 is het inzetten van burgerinfiltranten in Nederland in uitzonderlijke gevallen zelfs ook voor andere zware feiten opnieuw toegelaten. Volgens de Nederlandse minister van Veiligheid en Justitie zouden de grenzen van de opsporingsmogelijkheden de politie en het openbaar ministerie immers te veel belemmeren in de aanpak van de georganiseerde criminaliteit.

Wat zijn de risico’s?

Het rapport van de Commissie Van Traa vatte helder de risico’s samen die gepaard gaan met burgerinfiltratie en in wezen is daaraan ook vandaag niets veranderd.

Zo is er de vaststelling dat de politie met een criminele infiltrant wel afspraken kan maken, maar uiteindelijk eigenlijk weinig zicht heeft op de feiten die de infiltrant pleegt. Meestal zal de infiltrant namelijk met de politie samenwerken uit eigenbelang, hetzij om concurrenten uit te schakelen, hetzij om op een ‘veilige’ manier misdrijven te plegen en er nog aan te verdienen ook. De Commissie besloot dat het doorgaans politie en justitie was die werden gestuurd door de burgerinfiltrant, in plaats van andersom.

Andere risico’s zijn het lekken van informatie naar het criminele milieu, het in het gedrang komen van de veiligheid van de infiltrant en het meer en meer afglijden naar de criminaliteit door de blootstelling aan de vele verlokkingen van het criminele leven. Ook een aantasting van de integriteit van de opsporing wordt dikwijls aangehaald als tegenargument voor het gebruik van burgerinfiltranten.

Een ander probleem is dat de inzet van criminele burgerinfiltranten bijzonder moeilijk te controleren valt. Veel meer dan een getuigenverklaring van de infiltrant kan niet worden bekomen om de handelingen die de infiltrant heeft gesteld, te achterhalen. En echt betrouwbaar kan zo’n getuigenverklaring niet worden genoemd. Nochtans is die controle erg belangrijk, aangezien ook rekening moet gehouden worden met het verbod van uitlokking van strafbare feiten (provocatie) door de overheid of door burgers op verzoek van de overheid. Aangezien uitlokking leidt tot de onontvankelijkheid van de strafvordering voor de uitgelokte feiten, is het risico voor het onderzoek niet gering. Ook het feit dat het onderzoek naar een eventuele uitlokking wordt bemoeilijkt door het inschakelen van burgerinfiltranten, kan aanleiding geven tot problemen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is wat uitlokking betreft immers vrij streng.

Waarom wil men dan toch burgerinfiltratie?

Volgens procureur-generaal Delmulle is een goede informatiepositie “essentieel in de strijd tegen het terrorisme”. In deze tijden van lone wolves en operationele terreurcellen zou infiltratie door politieambtenaren niet langer volstaan omdat men te maken heeft met zeer gesloten en achterdochtige terroristische milieus.

De vraag is natuurlijk of burgerinfiltratie hiervoor een oplossing kan bieden. Het probleem is namelijk dat er maar bitter weinig geweten is over de effectiviteit van burgerinfiltratie voor het onderzoek. In Nederland werden over die vraag wel een tweetal onderzoeken uitgevoerd door het WODC (Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum), maar echt verhelderend zijn die toch niet. De onderzoeken hadden trouwens ook geen betrekking op terrorisme.

Een andere vraag is of er aan burgerinfiltratie in terrorisme-dossiers geen specifieke risico’s verbonden zijn, nog los van de algemene risico’s zoals hierboven aangehaald. Is er bijv. geen risico dat de burger die infiltreert zelf zal radicaliseren door de contacten die hij legt? Of dat de burger in werkelijkheid een potentiële terrorist is die zoals een paard van Troje bij politie en justitie infiltreert om informatie te achterhalen of om hen af te leiden van het werkelijke gevaar?

En waar vindt men trouwens burgers die in het gevaarlijk milieu van terreurnetwerken willen infiltreren? En moet daarvoor dan geen onethisch hoge compensatie worden betaald, zoals het oogluikend toestaan van het plegen van (ernstige) misdrijven waarmee de betrokkene zich aanzienlijk kan verrijken? En wat dan met de eventuele mededaders aan die feiten? Zullen die dan wel worden vervolgd en zo ja, steekt het gevaar van uitlokking of de onmogelijkheid om dat te controleren dan niet opnieuw de kop op?

Besluit

Alhoewel er zeker begrip kan worden opgebracht voor elke poging om het onderzoek naar terrorisme efficiënter en daadkrachtiger te maken, lijkt het inzetten van burgerinfiltranten ons toch zeker niet zonder gevaar.

In elk geval is het inzetten van burgerinfiltranten voor andere vormen van criminaliteit helemaal geen goed idee. Weliswaar is dat niet de strekking van het voorstel van procureur-generaal Delmulle, maar het verleden heeft toch al geleerd dat eens een nieuwe onderzoeksmaatregel wordt ingevoerd, het toepassingsgebied uiteindelijk wel wordt uitgebreid (het zogenaamde ‘net-widening effect’).

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2018-06-05T22:10:42+00:00