>De ‘leugendetector’ in een nieuw wettelijk kleedje: twijfels blijven bestaan
sport

Door Alexandra Schouteden – 28/02/2020 – In de kijker

De polygraaf, die wel eens verkeerdelijk de naam ‘leugendetector’ toebedeeld krijgt, wordt reeds sinds de jaren vijftig gebruikt in tal van strafzaken, gaande van geweld tegen personen tot seksuele delicten. De polygraaf detecteert echter geen leugens, maar meet slechts de lichamelijke reacties op bij gegeven antwoorden.

Tot voor kort was het gebruik van de polygraaftest geregeld door een ministeriële omzendbrief en een omzendbrief van het college van procureurs-generaal. Deze omzendbrieven, die hoofdzakelijk aanbevelingen bevatten, hebben weliswaar geen enkel wettelijk karakter.

Op 30 januari van dit jaar kwam daar na enkele decennia verandering in: het federaal parlement keurde een wetsvoorstel goed dat voorziet in de implementatie van de polygraaftest in het Wetboek van Strafvordering. Een goede zaak, zou men dus op het eerste zicht denken, maar is dit wel zo?

Een wettelijke verankering van een principe dat reeds vrij lang door de rechtspraak werd aangehouden, is altijd goed voor de rechtszekerheid. Het wetsvoorstel voegt immers een nieuw artikel 112duodecies toe aan het Wetboek van Strafvordering, waarbij onder paragraaf 10 gesteld wordt dat de resultaten van de test alleen als steunbewijs in aanmerking mogen genomen worden. Leugenachtigheid op basis van de test mag dus nooit als een doorslaggevend bewijs worden gebruikt, en dat is maar goed ook. De wetenschap weerhoudt immers een foutenmarge van 10-20 % voor de polygraaftest, en dit wanneer de test werd afgelegd in de meest optimale omstandigheden.

Niet alleen alcohol, drugs of geneesmiddelen kunnen de test beïnvloeden, maar ook de vraagstelling van de polygrafist, de culturele achtergrond van de testpersoon, diens persoonlijkheid en fysieke/psychologische kenmerken of gebreken kunnen een impact hebben op het uiteindelijke resultaat.

In het strafrecht moet het om zekerheden gaan, want in het strafrecht draait het om mensenlevens. Er mogen dus geen twijfels bestaan wanneer iemand schuldig bevonden wordt.

De nieuwe rechtsregel voorziet dat de procureur des Konings of de onderzoeksrechter aan de verdachte, de getuige of het slachtoffer kan vragen om een polygraaftest te ondergaan, wanneer de strafbare feiten een wanbedrijf of een misdaad uitmaken. Het is goed dat deze test ook kan worden gevraagd aan een getuige, want getuigenverklaringen kunnen dikwijls een determinerende rol spelen.

Het artikel voorziet daarbij aansluitend in de mogelijkheid voor de testpersoon om de polygraaftest te weigeren of de test op elk ogenblik te onderbreken, zonder dat daar enig rechtsgevolg aan verbonden wordt.

Vragen staat dus vrij.

Je kan weigeren, maar daar zal vaak in de realiteit het etiket aan kleven dat er toch een goede reden moet zijn om de test te weigeren, en bij die vraag zal meestal aan schuld gedacht worden.

De polygraaftest weigeren zal bijgevolg ook in de motivering van de schuld een rol kunnen spelen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens liet overigens al eerder toe dat het inroepen van het zwijgrecht ook in aanmerking mag genomen worden bij de beoordeling van het schuldvraagstuk.

De wet stelt verder dat je als verdachte zelf een polygraaftest kunt aanvragen. Dit verzoek kan worden afgewezen door de procureur des Konings of onderzoeksrechter, maar de wet voorziet niet in een beroepsmogelijkheid, wat enigszins merkwaardig mag worden genoemd. Dergelijke beroepsmogelijkheid zou voor zij die met alle middelen hun onschuld willen aantonen, toch enigszins relevant kunnen zijn.

Ook ‘kan’ er voorafgaand aan de test een alcohol-, drugs- of geneesmiddelentest en psychologisch of psychiatrisch onderzoek van de testpersoon afgenomen worden. Het staat wetenschappelijk vast dat de voorafgaande inname van alcohol, drugs of geneesmiddelen, een serieuze impact op de betrouwbaarheid van de test kan hebben. Ook de psychische toestand van de persoon die de polygraaftest ondergaat, kan het uiteindelijke resultaat van de test sterk beïnvloeden.

Wie deze voorafgaande test moet uitvoeren zegt de wetgever niet. Gaat het om een klassieke geneesheer, een psychiater, een neuroloog, een toxicoloog? Dit is niet duidelijk. Al evenmin werd in tegenspraak voorzien, wat achteraf tot vele discussies kan leiden.

Gezien het bij een polygraaftest in se niet om een verhoor gaat is de rol van de advocaat vrij beperkt. De advocaat mag de test volgen, maar komt hij op enige wijze tussen in het verhoor, dan wordt de test onmiddellijk stopgezet. Indien er na de polygraaftest toch een verhoor wordt afgenomen van de testpersoon, wordt er uiteraard wel voorzien in de mogelijkheid tot voorafgaand overleg met de advocaat. Er wordt een proces-verbaal over de test opgemaakt met daarin een letterlijke weergave van alle vragen en antwoorden. In datzelfde proces-verbaal kan de advocaat tevens de eventuele schendingen van rechten laten opnemen.

Het nieuwe wettelijke kleedje is met andere woorden niet zeer modieus. Wat oude wijn in nieuwe zakken, maar twijfels blijven, en dat zal wat betreft de polygraaftest wellicht in de toekomst niet veranderen. Beroepsleugenaars zullen altijd blijven bestaan, en van nature uit zeer angstige personen evenzeer.

De ‘leugendetector’ in een nieuw wettelijk kleedje: twijfels blijven bestaan

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2020-02-28T19:32:52+00:00