>De nieuwe spijtoptantenregeling: een waterdicht wettelijk kader?
sport

Door Alexandra Schouteden – 4/10/2019 – In de kijker

de nieuwe spijtoptantenregeling: een waterdicht wettelijk kader?

Twee weken geleden werd strafpleiter Derk Wiersum nabij zijn woning in Amsterdam in koelen bloede doodgeschoten. Niet alleen in Nederland, maar ook in België zindert de schok nog steeds na. “Een aanslag op de rechtstaat”, zo klonk het.

Nabil B., spijtoptant in de veelbesproken Nederlandse Marengo-zaak, sloot een deal met het Nederlandse Openbaar Ministerie. Indien hij verklaringen aflegde over zowel zijn eigen betrokkenheid als die van anderen in de zaak, zou hij recht hebben op strafvermindering.

Kort na de verklaringen van Nabil B. werd zijn broer vermoord. Maar nu gingen zijn handlangers nog een stap verder, door ook zijn advocaat neer te schieten. Een represaille in het kwadraat. Vermits de advocaat een lid is van de rechterlijk orde, rees terecht een golf van verontwaardiging binnen justitie.

Meteen stelde zich de vraag: kon zoiets voorkomen worden?

De spijtoptantenregeling, die in België pas zijn wettelijke omkadering verkreeg dankzij de wet van 22 juli 2018, blijft ook bij ons een controversiële figuur in het straf(proces)recht. Sinds de nieuwe regeling is het immers mogelijk om niet alleen in drugs- en hormonenzaken als spijtoptant te fungeren, maar in allerlei zaken, gaande van fraude, hacking, tot aanranding van de eerbaarheid en dergelijke meer, al dan niet gepleegd in georganiseerd verband.

Wat houdt deze regeling nu precies in? De belangrijkste krachtlijnen worden hieronder uiteengezet.

Wie?

Een spijtoptant kan een inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of veroordeelde zijn. Ook rechtspersonen kunnen van deze regeling gebruik maken. Er is evenwel een uitzondering voorzien voor wat betreft verdachten die het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek (d.i. een onderzoek dat enkel geleid wordt door de procureur des Konings): zij kunnen zich pas beroepen op de regeling wanneer er een vervolging wordt ingesteld.

Welke misdrijven?

De regeling kan slechts subsidiair – d.w.z. “enkel mits het onderzoek het vereist en de overige middelen van het onderzoek niet volstaan” – worden toegepast, en dit voor een beperkt aantal misdrijven, welke vervat zijn in art. 90ter §2-4 Wetboek van Strafvordering.

Welke verklaringen?

Ook de afgelegde verklaringen zijn onderworpen aan enkele vereisten. Zo dienen zij volledig (alle informatie waarover de aangever kennis heeft), oprecht (waarheidsgetrouw), substantieel (nuttige en relevante informatie), en onthullend (informatie die nog niet bekend was bij of bevestigd door het Openbaar Ministerie) te zijn. Van de spijtoptant wordt met andere woorden verwacht dat hij een maximum aan informatie kan verstrekken. Bijkomstige elementen mogen evenwel weggelaten worden, met als minimumvoorwaarde dat alle essentiële inlichtingen waarover de aangever kennis heeft, wel degelijk verstrekt worden.

De nieuwe regeling inzake spijtoptanten voorziet verder dat de afgelegde verklaring niet per se  betrekking hoeft te hebben op de feiten waarvoor de betrokkene vervolgd of veroordeeld wordt. Ook andere feiten kunnen het voorwerp zijn van zijn verklaringen. Hiermee wijkt de wetgever af van wat tot dan een vereiste was voor de onthulling als verschoningsgrond, nl. een verbondenheid van de aangever met de feiten waarover hij bezwarende verklaringen aflegde.

Memorandum

De grote lijnen van de af te leggen verklaringen worden vervolgens vastgelegd in een ‘memorandum’, een schriftelijk akkoord tussen spijtoptant en Openbaar Ministerie. Nog enkele andere actoren worden betrokken bij met de totstandkoming van dit akkoord, nl. de federale procureur, die een voorafgaand advies over het memorandum dient te verstrekken; de getuigenbeschermingscommissie, die een verplicht advies dient te geven over de te nemen beschermingsmaatregelen; de bevoegde procureur-generaal, die zijn akkoord dient te geven over de toezeggingen die de procureur des Konings wenst te doen; en de onderzoeksrechter, die advies verleent over de noodzakelijkheid van de verklaringen voor het onderzoek.

Na ondertekening van het memorandum wordt het gevoegd aan het strafdossier en gaat de spijtoptant over tot het afleggen van verklaringen.

Toezegging

De procureur des Konings kan beslissen om een toezegging te doen aan de spijtoptant door de toepassing van een strafverminderende of strafuitsluitende verschoningsgrond, evenwel wettelijk begrensd naargelang het misdrijf.

Vervolgens wordt deze toezegging voorgelegd aan de bevoegde vonnisrechter, die deze kan bekrachtigen, herroepen of afwijzen, en dit na toetsing aan wettelijk vooropgestelde criteria.

Bij bekrachtiging wordt –  evenwel na toetsing van het memorandum aan de wettelijk vooropgestelde criteria – de toegezegde straf uitgevoerd.

Indien de toezegging afgewezen wordt door het vonnisgerecht, dient deze gemotiveerd te worden (art. 216/5, §3 Wetboek van Strafvordering). Nadien kan het Openbaar Ministerie beslissen om een nieuw memorandum op te stellen, dat dan voorgelegd wordt aan een anders samengestelde kamer van de rechtbank.

Indien het Openbaar Ministerie besluit om geen nieuw memorandum op te stellen, worden ‘het ondertekende memorandum, de documenten die opgemaakt werden en de mededelingen die gedaan werden tijdens het overleg in het kader van de procedure, alsook alle andere gerelateerde procedurestukken, uit het dossier verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg’. De stukken zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis (art. 216/5, §3, lid 4 Wetboek van Strafvordering), en kunnen niet lastens de spijtoptant in een andere strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of andere procedure worden aangewend.

De herroeping van de toezegging is mogelijk op basis wettelijke gronden (zoals o.m. het wetens en willens afleggen van leugenachtige verklaringen, het pogen bewijzen te laten verdwijnen), die limitatief bepaald zijn. Indien de spijtoptant dus de voorwaarden die in het memorandum opgenomen werden, niet nakomt, ontloopt hij zijn straf niet en wordt een vervangende straf opgelegd door de bevoegde rechtbank of het hof.

Bewijswaarde

Wat kan er nu gebeuren met de verklaringen van de spijtoptant?

Art. 216/4, §2, lid 1 Wetboek van Strafvordering voorziet in een zgn. ‘bijzonder wettelijk bewijsminimum’ en bepaalt dat de verklaringen van de spijtoptant alleen in aanmerking genomen mogen worden als bewijs indien zij “in afdoende mate steun vinden in andersoortige bewijsmiddelen”.

De verklaringen van de spijtoptant kunnen dus op zich niet leiden tot bewijs en dienen ingebed te liggen in een geheel van andere bewijselementen.

Beschermingsmaatregelen

Het spreekt voor zich dat het gebruik van spijtoptanten enige risico’s met zich meebrengt: de nood om te voorzien in beschermingsmaatregelen ten aanzien van spijtoptanten en hun naaste omgeving is met andere woorden hoog.

Vooraleer het memorandum wordt afgesloten, wordt op dit punt het voorafgaand advies gevraagd van de getuigenbeschermingscommissie (art. 216/2, §2, 2° Wetboek van Strafvordering). Dit advies wordt vervolgens opgenomen in het memorandum inzake getuigenbescherming (art. 107 Wetboek van Strafvordering).

Naast de geheimhoudingsplicht, die voor iedereen die in het kader van zijn bediening kennis krijgt van de maatregelen van getuigenbescherming geldt, voorziet de nieuwe regeling dat de federale procureur de “noodzakelijke, preventieve toezichtmaatregelen” kan nemen “ter vrijwaring van de veiligheid en de fysieke, psychische en morele integriteit” van de bedreigde getuige. Zodoende kunnen getuigen in functie van de dreiging onder verhoogd toezicht geplaatst worden. Concreet kan het dan gaan over discreet veiligheidstoezicht, discreet kennisnemen van poststukken, monitoring van telefoon- en mailverkeer, sociale media, internetgebruik en dergelijke meer.

Deze Belgische regelgeving voorziet niet in een bescherming van de advocaat, doch enkel van de spijtoptant zelf. De gebeurtenissen in Nederland tonen aan dat de huidige bescherming niet ver genoeg reikt en dat de advocaat, die meestal de begeleider is van het memorandum tussen het Openbaar Ministerie en de spijtoptant, uiteraard even veel gevaar loopt als de spijtoptant zelf en dus bescherming behoeft.

In Nederland is men er zich van bewust dat de beschermingswetgeving ruimer had gemoeten. Commentatoren hebben het over een schuldig verzuim vanwege de overheid. Reden waarom men thans bij onze noorderburen volop bezig is om een regeling uit te werken via de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV), en dit om meerdere actoren van het strafproces de noodzakelijke bescherming te garanderen. Een team, samengesteld uit vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie en de politie, zou zich specifiek richten op de beveiliging van onder andere advocaten en magistraten.

De nieuwe Belgische regering doet er goed aan dit ook in één van zijn eerste wetgevende initiatieven op te nemen.

Fouten maken is menselijk, maar fouten herhalen is een keuze.

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2019-10-04T11:25:16+00:00