>De opzegtermijn als dwarsligger
opzegtermijn

Door Stefaan Sonck – 16/01/2018 – In de kijker

de opzegtermijn als dwarsligger

De Belgische spoorwegen, een samenspel van de Belgische Staat, NMBS, INFRABEL en HR RAIL, halen niet vaak het nieuws met glorieuze berichten. Deze mega-onderneming heeft immers te maken met spoorlopers, overwegongevallen, stakingen, vertragingen, gebroken of gestolen bovenleidingen, wisselvallige wissels en vaak ontevreden klanten…

Laatst deed een misnoegde treinbestuurder er nog een schepje bovenop: moedwillig traag rijden, waardoor de treinrit gauw belangrijke vertraging opliep. De man wenst zo snel mogelijk zijn betrekking te verlaten om elders aan de slag te kunnen. De te presteren opzegtermijn lag hem hierbij dwars. Hij hoopt met zijn tartend gedrag zijn vertrek te bespoedigen.

Wie ergens voor onbepaalde duur in dienst treedt, zal aan deze dienstbetrekking ook een einde kunnen stellen. Het “ontslagrecht” wordt weliswaar niet uitdrukkelijk verdragsrechtelijk of grondwettelijk beschermd, maar elkeen heeft het recht in zijn onderhoud te voorzien door vrijelijk gekozen werkzaamheden. Dit veronderstelt dat men ook ontslag moet kunnen nemen.

Voor wie een arbeidsovereenkomst (privésector) sluit, bepaalt de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 de modaliteiten en voorwaarden voor dergelijk ontslag. De opzegtermijnen die de werknemer dient te respecteren zijn weliswaar merkelijk korter dan deze die de werkgever moet in acht nemen, maar ook de werkgever moet er kunnen op rekenen dat hij niet geconfronteerd wordt met het onmiddellijk vertrek van een medewerker.

Ook de ambtenaar die vrijwillig ontslag neemt, dient een korte opzegtermijn in acht te nemen (in Vlaanderen geldt “minstens 30 dagen” opzegtermijn).

Het ontslag van een medewerker krijgt een bijkomende dimensie wanneer deze door de “werkgever” werd opgeleid. Niemand heeft immers graag dat een werknemer met de genoten opleiding aan de haal gaat, ten gunste van een derde (de nieuwe werkgever).

In de privésector kan men dit opvangen door een scholingsbeding en onrechtstreeks door een niet-concurrentiebeding.

Het scholingsbeding moet schriftelijk worden vastgelegd en kan slechts onder bepaalde voorwaarden worden ingevoerd, zoals een minimum bruto jaarwedde van thans 34.180 euro, bepaalde vereisten inzake de vorming en een beperkte geldingsduur van het beding. Het ontslag door de werknemer zal gepaard gaan met een terugbetalingsverplichting van een gedeelte van de opleidingskost. De opzegtermijn blijft onaangeroerd.

Het niet-concurrentiebeding, eveneens aan strikte voorwaarden onderworpen, zal mogelijk bij de werknemer een ontradend effect hebben, maar legt anderzijds ook een financiële last op voor de werkgever.

In de openbare sector vinden we in bepaalde gevallen een zelfde problematiek, die, wat treinbestuurders betreft, anders wordt aangepakt.

De opleiding van treinbestuurder, die binnen de Belgische spoorwegen blijkbaar 12 dagen algemene opleiding telt, gevolgd door een examen en een specifieke opleiding van 188 dagen, biedt thans, sinds de verbreking van het exploitatiemonopolie, niet langer alleen perspectieven binnen de eigen Belgische spoorwegen.

Om te vermijden dat de opgeleiden plots de overstap maken naar een lucratievere privésector voorziet het personeelsstatuut van de Belgische spoorwegen inzake “ontslag op aanvraag”, dat ieder personeelslid bij zijn onmiddellijke chef schriftelijk ontslag mag indienen, mits het respecteren van een opzegtermijn, gaande van 1 maand (personeelsleden waarvan de aanwerving geen universitair diploma vereist), 3 tot 6 maanden (personeelsleden die wél een universitair diploma moeten hebben; in functie van hun anciënniteit), of 1 jaar voor de treinbestuurders “die de opleiding hebben beëindigd en in het bezit zijn van de Europese vergunning en het aanvullend bevoegdheidsbewijs gelding voor hun graad”.

Veeleer dan een financiële last bij ontslag, wordt de “overloper” hier ontmoedigd door een lange opzegtermijn.

Een financiële last bij ontslag, ter compensatie van de opleidingskost vinden we ook in andere sectoren terug.

In de sportwereld bestaat het systeem van de opleidingsvergoedingen (die betaald moeten worden door de “nieuwe” club).

De studies aan de Koninklijke Militaire School (die ook universitair kunnen zijn) zijn gratis en de leerlingen krijgen zelfs een wedde tijdens hun studies. Ook dit heeft een invloed op hun rechten en plichten. Wie defensie vroegtijdig verlaat kan een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden moeten terugbetalen.

Komen we even terug op de treinbestuurders: de vraag of een vaste en steeds geldende opzegtermijn van één jaar voldoende rekening houdt met alle parameters (zoals anciënniteit van de betrokkene als treinbegeleider; reële kost van de opleiding, …) om uit te sluiten dat er sprake zou zijn van een kennelijk onredelijke ontslagbeperking, kan worden betwist. Er kan echter vrijstelling of verkorting van opzeggingstermijn worden verleend door de bevoegde organen van NMBS, INFRABEL of HR RAIL.

Het ziet er dus naar uit dat de situatie van de ongelukkige treinbestuurder niet zal ontsporen, tenzij de Belgische spoorwegen vrezen voor een precedent en men, als ontradend signaal, de voorkeur geeft aan een eventueel in de tijd te rekken tuchtprocedure met als uiteindelijk doel de afzetting.

delen op

2018-01-16T10:03:54+00:00