>De uitlevering van Belgische drugscriminelen uit Dubai: geen sinecure
sport

Door Esther Theyskens – 21/02/2020 – In de kijker

de uitlevering van belgische drugscriminelen uit dubai: geen sinecure

In december kopte de krant:Dubai, waar Antwerpse criminelen thuis zijn”.

De aanleiding was de arrestatie van de Nederlandse voortvluchtige crimineel Ridouan Taghi in Dubai. Taghi werd zowel gezocht door Marokko, waar hij veroordeeld werd voor moord, als door Nederland, dat hem voor de rechter wilde wegens leiderschap van een criminele organisatie en een reeks liquidaties in het drugsmilieu. In Dubai vond Taghi, net zoals naar schatting een tiental (drugs)criminelen van bij ons, jarenlang een schijnbaar veilig oord. Hoe is dit mogelijk?

Geen uitleveringsverdrag

De voornaamste reden hiervoor is dat België – net zoals Nederland – geen uitleveringsverdrag heeft met de Verenigde Arabische Emiraten (de “VAE”).

In de relaties met landen buiten de Europese Unie, gebeurt de uitlevering van verdachten of (bij verstek) veroordeelden aan ons land veelal op basis van een bi- of multilateraal uitleveringsverdrag dat de voorwaarden en de procedures voor de uitlevering vastlegt. Dit is anders tussen landen van de Europese Unie, waar het Europees aanhoudingsbevel de uitleveringsprocedure vervangen heeft en de procedure uniform geregeld is (zie hieromtrent ons eerder artikel).

Strikt juridisch is het feit dat België geen uitleveringsverdrag heeft met de VAE evenwel geen hinderpaal voor de uitlevering van personen verdacht van of veroordeeld voor druggerelateerde feiten.

De VAE zijn namelijk, net zoals België, partij bij de verdragen van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Wenen, 20 december 1988), tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (Palermo, 15 november 2000) en tegen corruptie (New York, 31 oktober 2003). Deze verdragen, die bijna universeel werden geratificeerd, vormen de basis voor de internationale samenwerking in de strijd tegen de georganiseerde internationale drugshandel. Een belangrijk aspect van deze samenwerking is de onderlinge uitlevering van verdachten en veroordeelden.

Het belang van deze verdragen ligt enerzijds in de subsidiaire wettelijke basis die ze bieden voor uitleveringen tussen staten die onderling geen uitleveringsverdrag afsloten. Dit komt van pas waar het interne recht van de staat die verzocht wordt om een persoon uit te leveren (de “aangezochte staat”) een verdragsbasis vereist om tot de uitlevering te kunnen overgaan, zoals België. De aangezochte staat kan dan op grond van de VN-verdragen de uitlevering toch laten plaatsvinden, ook al is er geen uitleveringsverdrag met de staat die de uitlevering vraagt (de “verzoekende staat”).

Anderzijds, en dit is van belang in de relatie tussen België en de VAE, verplichten deze verdragen de staten om in hun intern recht te bepalen dat de handel in verdovende middelen, het lidmaatschap van een (internationale) criminele organisatie en corruptie strafbaar zijn én voor uitlevering in aanmerking komen. Indien de aangezochte staat de uitlevering niet afhankelijk maakt van het bestaan van een uitleveringsverdrag, zoals de VAE, en er geen uitleveringsverdrag voorhanden is, verloopt de uitlevering namelijk volgens het intern recht van de aangezochte staat.

Dankzij de VN-verdragen komen de feiten waarvan de “Antwerpse drugscriminelen” verdacht worden of waarvoor ze veroordeeld werden dus principieel in aanmerking voor uitlevering door de VAE aan België. De voorwaarden en procedures waaronder de VAE effectief tot een uitlevering zal overgaan worden echter bepaald door hun intern recht.

Politieke beslissing

Zelfs indien een uitleveringsverzoek van België beantwoordt aan alle voorwaarden gesteld in het intern recht van de VAE, blijft de uiteindelijke beslissing omtrent de uitlevering een politieke beslissing waarin ook opportuniteitsoverwegingen een rol (kunnen) spelen. Zulke opportuniteitsoverwegingen vinden uiteraard makkelijker hun doorgang indien er vooraf geen bindende afspraken werden gemaakt in een uitleveringsverdrag omtrent de situaties waarin tot een uitlevering moet worden overgegaan.

Zo stelt Dubai zich, op basis van zijn intern recht, terughoudend op ten aanzien van uitleveringsverzoeken op grond van financiële misdrijven (zoals witwasmisdrijven), die vaak gepaard gaan met drugshandel. De Golfstaat haalt zijn inkomsten namelijk grotendeels uit financiële dienstverlening en hanteert hieromtrent lakse regelgeving in vergelijking met ons land.

Dat Ridouan Taghi evenwel drie dagen na zijn arrestatie al uitgeleverd werd aan Nederland, is vermoedelijk dan weer ingegeven doordat hij als illegale crimineel berucht in de media allesbehalve een welgekomen gast was in Dubai.

Memorandum of Understanding

Het federaal parket kondigde recent aan dat het een Memorandum of Understanding (“MOU”) met de VAE wil afsluiten. Dit is een akkoord waarin men zich voorneemt om samen te werken in de bestrijding van, onder andere, internationale drugshandel en georganiseerde misdaad. Aangezien een MOU echter geen juridisch bindend instrument is, zal het voornaamste voordeel liggen in de vlottere communicatie met de VAE aangaande uitleveringsverzoeken van ons land.

Of de MOU zal volstaan om de “Antwerpse drugscriminelen” die zich in Dubai schuilhouden vlot voor de Belgische rechter te krijgen, is dus nog maar de vraag. In elk geval is het wel een stap in de goede richting.

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2020-02-21T12:15:02+00:00