>Een trip door het huidige Belgische Cannabisbeleid met Walter Van Steenbrugge en Pieter-Bram Lagae
sport

Door Walter Van Steenbrugge en Pieter-Bram Lagae – 17/05/2019 – In de kijker

een trip door het huidige belgische cannabisbeleid

Volgens cijfers van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD) gebruikten in 2015 in Europa 22 miljoen volwassenen cannabis, waarvan 1% dat bijna dagelijks doet. Daarmee blijkt cannabis het meest gebruikte ongeoorloofde middel ter wereld te zijn. De huidige situatie wat betreft legaliteit en juridische opvolging rond cannabisgebruik in België munt uit in onduidelijkheid. Burgers weten niet meer waar ze aan toe zijn omdat politie en gerecht anders te werk gaan naargelang het arrondissement. In omringende landen bestaat bovendien legale medicinale cannabis.

De wet én het gedoogbeleid : een proces van vallen en opstaan

Cannabis telen of in het bezit hebben blijft een misdrijf dat krachtens de Drugwet van 24 februari 1921 strafbaar is met een geldboete of een gevangenisstraf.

Aan cannabisgebruik wordt niettemin sedert meer dan 10 jaar een ‘lage vervolgingsprioriteit’ gegeven, op grond van de omzendbrief van de Procureurs-Generaal van 8 mei 1998 die aanleiding gaf tot een aanpassing van de Drugwet in 2003. Een nieuw artikel 11 in de drugswet bepaalde dat ‘in het geval van bezit door een meerderjarige van een gebruikershoeveelheid van cannabis dat niet vergezeld gaat met openbare overlast of met problematisch gebruik, slechts tot registratie door de politie wordt overgegaan’.

Op 16 mei 2003 vaardigde toenmalig minister Verwilghen een Ministeriële richtlijn uit betreffende het vervolgingsbeleid inzake het bezit van en de detailhandel in illegale verdovende middelen. Het toenmalige Arbitragehof vernietigde echter het bewuste artikel 11 van de drugswet omdat het op gespannen voet zou staan met de artikelen 12, 2de lid, en 14 van de Grondwet, 7 EVRM en 15 Bupo. Het gedoogbeleid dat in de wet werd ingeschreven werd te onduidelijk en te vaag geacht.

Daarna volgde de gemeenschappelijke richtlijn van 25 januari 2005 van de minister van Justitie en van het College van procureurs-generaal omtrent de vaststelling, registratie en vervolging van inbreuken inzake het bezit van cannabis.

Deze “richtlijn” bepaalde dat het bezit, door een meerderjarig persoon, van een hoeveelheid cannabis van maximum drie gram of van één geteelde plant, zonder dat er enige aanwijzing is dat het gaat om handel of verkoop, beschouwd wordt als «persoonlijk gebruik». Een dergelijke vaststelling door de ordediensten leidt, wanneer geen verzwarende omstandigheden noch verstoring van de openbare orde in het spel is, tot een vereenvoudigd proces-verbaal (VPV). Deze VPV’s worden bewaard op een elektronische drager en worden eenmaal per maand overgemaakt aan het parket.

Deze “richtlijn” bevatte bepalingen waarmee het reeds jarenlang gevoerde gedoogbeleid werd verdergezet. In de toelichting bij het voorstel van de Kaderwet tot instelling van een gereglementeerde cannabismarkt (ingediend door mevrouw Laurette Onkelinx c.s.) werd hierover op 13 september 2017 geschreven:

“Vandaag blijkt voormelde richtlijn aanleiding te geven tot verwarring en is duidelijk geworden dat ze beperkingen en soms zelfs contraproductieve uitwerkingen heeft: burgers weten niet meer waar ze aan toe zijn omdat politie en gerecht anders te werk gaan naargelang van het arrondissement, waardoor die richtlijn, die overigens niet afdwingbaar is, de rechtsonzekerheid alleen maar vergroot. Voor de burger is het dus onzekerheid troef, wat niet langer aanvaardbaar is.”

Op 26 september 2017 verscheen vervolgens een nieuw Koninklijk Besluit houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen. In de voorafgaande bepalingen bij dit KB werd gesteld dat de notie “voor persoonlijk gebruik” geen kwantitatief criterium is, maar een intentioneel criterium, dat niet enkel of noodzakelijk door de hoeveelheid van de in bezit gevonden middelen kan worden bepaald.

Het telen van de cannabisplant blijft in beginsel strafbaar, maar er worden lichtere straffen voorzien wanneer dit geschiedt voor persoonlijk gebruik.

Als evenwel één van de wettelijk bepaalde verzwarende omstandigheden aanwezig (zoals het verkopen van cannabis aan minderjarigen, het verhandelen van cannabis in het kader van een criminele organisatie, of het veroorzaken ernstige medische gevolgen bij de gebruiker van cannabis) worden de gewone straffen voorzien in artikel 2bis van de drugwet opgelegd (een gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaren met geldboete van duizend tot honderdduizend euro).

Dit geldt uiteraard slechts wanneer iemand voor de rechter verschijnt, en wordt berecht, doch zover komt het in de meeste gevallen evenwel niet. De reeds lang gehanteerde ‘lage vervolgingsprioriteit’ geldt immers nog steeds onder de nieuwe wet, zodat het bezit, door een meerderjarige, van cannabis bestemd voor persoonlijk gebruik, zonder verzwarende omstandigheid noch verstoring van de openbare orde, slechts aanleiding geeft tot het opstellen van een vereenvoudigd proces-verbaal door de politiediensten.

In bepaalde steden, gemeenten of op bepaalde festivals kan je echter ook een onmiddellijke minnelijke schikking (OMS, een meteen te betalen bedrag) opgelegd krijgen, zelfs wanneer je minder dan een gebruikshoeveelheid op zak hebt.

Zo werd bijvoorbeeld voor de editie van Pukkelpop 2015 het volgende beslist: “Pukkelpop werd door het Parket Limburg, met instemming van het bestuur, de korpschef van de lokale politie HAZODI en de vertegenwoordiger van de Dirco Limburg als proeftuin gebruikt om de procedure OMS (onmiddellijke minnelijke schikkingen) Drugs in te stellen. (…) Het doel van dit drugsbeleid was niet om drugsgebruikers actief op te sporen maar om te vermijden dat jongeren op het festival en de campings gingen experimenteren met drugs. (zie website De Kamer: Bulletin nr : B045 – Schriftelijke vraag en antwoord nr : 0618 -).

Een ander voorbeeld is de Stad Antwerpen waar vanaf 2013 een ‘War On Drugs’ wordt gevoerd waarbij ten strijde wordt getrokken tegen de jointjesroker, en waar het bezit van cannabis leidt tot een boete van €75.

Soms blijkt ook de kweek van 1 plant te worden gezien als “bedrijfsmatige teelt”, wat dan wel weer vervolgd zal worden.  De politie kijkt namelijk niet alleen naar het aantal en de grootte van de aangetroffen cannabisplanten, maar ook naar de mate van professionaliteit bij het kweken ervan (bron: Drugsdelict Advocaten.be).

Voor de burger blijft het dus onzekerheid troef, wat nochtans reeds volgens het voorstel van de Kaderwet van 13 september 2017 niet langer aanvaardbaar was.

De 0,2% THC-parameter

De basis voor de Belgische drugwetgeving ligt in diverse internationale verdragen die er zijn gekomen om wereldwijd -via een gecoördineerd en wereldomspannend optreden- het drugprobleem (dat zich destijds vooral liet voelen in de USA) aan te pakken.

In de schoot van de Verenigde Naties werden verscheidene verdragen gesloten (het Enkelvoudig Verdrag van 30 maart 1961; het Verdrag van Wenen van 21 februari 1971; het VN Verdrag van 20 december 1988).

Daarnaast zijn er ook Europese verordeningen die bindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in de nationale rechtssystemen. Zo laat de Europese Verordening 1782/2003 de teelt van hennep uitdrukkelijk toe en bepaalt ze dat het gehalte aan tetrahydrocannabinol (THC) van de hennep maximaal 0,2% mag bedragen. Een recentere Verordening 1307/2013 bevestigde dit.

Recent stelde ook de Belgische wetgever zich in regel door in het reeds genoemde KB van 6 september 2017 de definitie van cannabis in die zin aan te passen.

Het is dus essentieel, om tot enige strafrechtelijke schuld te kunnen besluiten, om het precieze THC-gehalte van de planten te bepalen. Slechts indien het daadwerkelijk gaat om cannabisplanten en deze een THC-gehalte hebben dat hoger ligt van 0,2% kan een beklaagde veroordeeld worden voor het strafrechtelijk telen van cannabis.

In de zaak Edgar Babanov van 11 juli 2008 besloot het Hof van Justitie van de Europese Unie op een prejudiciële vraag, dat er geen sprake kon zijn van enige strafrechtelijke vervolging voor het telen van hennep wanneer het THC-gehalte niet bepaald werd en wanneer dat gehalte lager lag dan 0,2%. In België heeft dit reeds geleid tot beslissingen van de rechter om bijkomend onderzoek te laten uitvoeren op plantjes die in beslag werden genomen.

Anderzijds is het zo dat in België (bijvoorbeeld in Kortrijk) zogenaamde growshops bestaan waar plantgoed en oliën die niet meer dan 0,2% THC bevatten, legaal worden verkocht.

De Europese dimensie: het arrest Van Esbroeck van het Hof van Justitie

De regeringen van de Benelux, Duitsland en Frankrijk sloten op 14 juni 1985 te Schengen een akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen. In artikel 71 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 tot uitvoering van deze overeenkomst wordt verwezen naar de VN-verdragen over drugs en wordt bepaald dat de Schengenlanden alle maatregelen moeten nemen met het oog op het tegengaan van de sluikhandel in verdovende middelen.

Leopold van Esbroeck kreeg in Noorwegen vijf jaar cel voor drugssmokkel. In België kreeg hij voor dezelfde feiten nog eens één jaar extra. Het Europees Hof van Justitie in Luxemburg vond dat onterecht (arrest van 9 maart 2006, zaak C-436/04) omdat een verdachte geen twee keer voor dezelfde feiten mag worden veroordeeld, ook niet in verschillende landen.

Om te beoordelen of een eerdere berechting in een Schengenstaat een belemmering vormt voor een nieuwe vervolging in een andere Schengenstaat, moet nagegaan worden of die eerdere berechting betrekking had op dezelfde feiten.  Volgens het Hof van Justitie kunnen ook de in- en uitvoer van een partij verdovende middelen ‘een zelfde geheel van feiten vormen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn naar tijd en plaats en wat het voorwerp ervan betreft’.

Volgens het Hof bestaat de bedoeling van de VN-verdragen erin te verhinderen dat feiten van drughandel straffeloos zouden blijven, maar beletten deze verdragen niet dat wordt verhinderd dat een persoon voor dezelfde feiten aan meer dan één vervolgingsprocedure wordt onderworpen.

De volgende bedenking dringt zich op: Cannabis is legaal in Nederland. Ook in Portugal. Nochtans zijn deze landen ook toegetreden tot de internationale verdragen opgesteld door de Verenigde Naties, en vallen zij ook onder de Europese verordeningen. Cannabis kan dus legaal aangekocht worden in Nederland of Portugal, maar het invoeren ervan in België kan niet en is in principe strafbaar. Nochtans zegt het Europees Hof van Justitie hierover dat het eigenlijk over dezelfde feiten gaat…

Een Europees eenvormig beleid rond cannabisgebruik dringt zich dus duidelijk op.

De dode letters van artikel 6 lid 4 Drugwet

Art. 6 lid 4 van de Drugwet voorziet strafvermindering voor “schuldigen die na het begin van de vervolging de identiteit van onbekend gebleven daders aan de overheid hebben onthuld.

Het Hof van Cassatie werd al talrijke keren genoopt om uitspraak te doen over de draagwijdte van dit wetsartikel, wat heeft geleid tot strenge cassatierechtspraak waarin het volgende werd gesteld:

  • de onthulling moet van aard zijn om de overheid in staat te stellen vervolgingen in te stellen, wat veronderstelt dat de onthulling volledig en oprecht is (Cass., 7 maart 1978, , 1978, I, 765; R.W., 1978-79, 862 en de noot; Cass., 8 februari 1984, Arr. Cass., 1983-84, 690; Pas., 1984, I, 637);
  • de persoon die de inlichtingen geeft blijft slechts vrij van straf voor zover de overheid die inlichting nog niet kende (Cass., 20 juni 1977, , 1977, I, 1070; R.W., 1978-79, 895);
  • de onthulling die de rechter in aanmerking dient te nemen is die welke vóór de vervolging plaatsvindt, met andere woorden, voordat de strafvordering is ingesteld (Cass., AR P.10.0015.F, 28 april 2010).

Gelet op deze strikte voorwaarden wordt dit artikel in de praktijk nooit toegepast. Al te vaak wordt gesteld dat de overheid de inlichtingen reeds kende (waarbij wordt geschermd met info uit “andere strafdossiers”), worden de onthullingen afgedaan als te weinig doortastend of wordt gesteld dat de onthullingen plaatsvonden na het instellen van de strafvordering.

Het is voor een rechtsonderhorige dan ook compleet onzeker of zijn “onthullingen” –waarmee evident een risico wordt gelopen– ook maar iets positiefs zullen opleveren.

Wat met het Gentse pilootproject van de drugbehandelingskamer ?

De Drugbehandelingskamer (hierna DBK) startte als proefproject in Gent in het jaar 2008.

Het DBK-project laat zich inspireren op het Angelsaksische fenomeen van “drugcourts”. In de praktijk komen druggerelateerde rechtszaken in zo’n systeem bij een gespecialiseerde rechter terecht. In tegenstelling tot gewone rechtszaken wordt geopteerd voor een heel betrokken aanpak (i.s.m. met de drughulpverlening) en wordt de beklaagde door dezelfde rechter ook op geregelde tijdstippen gehoord en opgevolgd. De liaison is iemand uit de drughulpverlening die op de rechtbank aanwezig is om de beklaagde te helpen doorstromen naar de meest aangewezen voorziening.

Deze aanpak laat toe om beklaagden onder toezicht aan hun drugprobleem te laten werken.

De procedure voor de DBK wordt door het Openbaar Miniserie slechts opgestart wanneer de criminele feiten zich niet zouden hebben voorgedaan zonder de aanwezigheid van een drugproblematiek. Van zodra de feiten (zoals diefstallen en handel in verdovende middelen) voornamelijk gericht zijn op winstbejag, komt de zaak niet in aanmerking.

In een rapport omtrent het pilootproject (zie www.vad.be) werd het volgende geschreven: “Uit zowel de kwalitatieve als de kwantitatieve evaluatie blijkt de manifeste meerwaarde van het proefproject DBK.  Zowel justitie als hulpverlening zijn over het algemeen tevreden met hun opdracht binnen de DBK. Daarnaast zijn zij http://www.vad.been de DBK-cliënten globaal genomen tevreden over de structuur en opzet van de DBK. De liaisons hulpverlening vormen de hoeksteen van het project.”

In de rechtbanken van Antwerpen en Oudenaarde werden weliswaar stappen gezet voor gelijkaardige initiatieven, maar tot op vandaag blijft het bij een Gents pilootproject en vond dit nog geen algemene toepassing in andere arrondissementen.

Het gevolg hiervan is de mogelijkheid tot disparate straffen afhankelijk van waar de druggebruiker wordt vervolgd.

De focus ligt in sommige arrondissementen nog al te vaak op repressie en bestraffing in plaats van op behandeling. De algemene tendens blijft dat cannabisgebruik en cannabisbezit vanaf de meerderjarigheid worden gecriminaliseerd.

Minderjarigen en cannabis

Minderjarigen mogen noch in het bezit zijn van cannabis, noch cannabis gebruiken, ongeacht de hoeveelheid en de omstandigheden.  Bij inbreuk is de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming van toepassing.

De invoer, de productie, het bezit, het gebruik en de verkoop van zowel cannabis als van andere illegale drugs zijn in alle omstandigheden verboden. Wanneer een minderjarige betrapt wordt met drugs, maakt de politie een proces-verbaal op en bezorgt dit aan het parket. Ook de ouders worden op de hoogte gebracht.

Het parket beslist wat er met het dossier gebeurt. Het kan een waarschuwingsoproeping doen, een bemiddeling voorstellen, seponeren of doorverwijzen naar de jeugdrechter. De minderjarige is niet verplicht om in te gaan op de voorstellen van het parket en kan er de voorkeur aan geven om zijn zaak door een rechter te laten beoordelen.

Wanneer het parket ten gronde dagvaardt, kan de jeugdrechtbank één van de volgende jeugdbeschermingsmaatregelen nemen, met een wettelijk vastgelegde volgorde van voorkeur:

  • Voorstel herstelrechtelijk aanbod, wat bestaat uit herstelbemiddeling of herstelgericht groepsoverleg (hergo). Dit laatste is overleg tussen het slachtoffer, de jongere en andere personen die hen ondersteunen, samen met een onafhankelijk bemiddelaar. Er wordt getracht tot afspraken te komen die voor alle betrokkenen aanvaardbaar zijn en die tot doel hebben de gevolgen van het gepleegde feit te herstellen.
  • Geschreven project waarin de jongere verwoordt welke verbintenissen hij/zij wil opnemen om het misdrijf ‘goed te maken’.
  • Ambulante maatregelen (waarbij de jongere in zijn oorspronkelijke leefomgeving blijft);
  • Plaatsing in pleeggezin, private voorziening, open gemeenschapsinstelling;
  • Plaatsing in een gesloten afdeling van de gemeenschapsinstelling of Everberg.

Ambulante maatregelen kunnen zijn: berisping (een vermaning door de jeugdrechtbank, waarna het dossier gesloten wordt), ondertoezichtstelling (de sociale dienst van de jeugdrechtbank krijgt de opdracht om de evolutie van de jongere verder op te volgen), intensieve educatieve begeleiding, prestaties van opvoedkundige aard en van algemeen nut van maximum 150 uren (ook gekend als gemeenschapsdienst. Als deze naar behoren wordt uitgevoerd, wordt het dossier gesloten), volgen van een ambulante behandeling bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugverslaving.

De focus bij minderjarigen ligt dus duidelijk op behandeling en begeleiding, waarbij druggebruik wordt aanzien als een (medisch) probleem dat ten gronde aangepakt moet worden, via inschakeling van het sociale netwerk van de minderjarige en eventueel via het volgen van een gepaste behandeling.

Dit staat in schril contrast met de vaststelling dat vanaf de leeftijd van 18 jaar de focus wordt verlegd naar criminalisering.

De rechtsonzekerheid voor gebruikers van medicinale cannabis

Er is op vandaag sprake van een wereldwijde evolutie die wetenschappelijk aantoont dat cannabis positieve medicinale effecten heeft, en van een duidelijke internationale trend waarbij overheden het monopolie nemen over de productie, de handel en de in- en uitvoer van medicinale cannabis.

Meer en meer westers geschoolde Belgische dokters schrijven (ook) cannabis voor ter bestrijding van chronische pijnen, of voor de bestrijding van de nausea en het braken dat wordt veroorzaakt door chemotherapie bij kankerpatiënten.

De patiënten met chronische pijn hebben recht op een adequate beschikbare, toegankelijke en aangepaste gezondheidszorg van goede kwaliteit. Dit kadert in hun fundamenteel recht op bescherming van de gezondheid dat wordt gegarandeerd in art. 23, lid 2° van de Belgische Grondwet dat samen gelezen moet worden met:

  • het recht op leven (internationaal gewaarborgd in art in art. 2 van het EVRM);
  • het verbod op een onmenselijke en mensonterende behandeling (internationaal gewaarborgd in art 3 EVRM);
  • het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven (internationaal gewaarborgd in art. 8 EVRM);
  • het recht op een zo goed mogelijke lichamelijke en geestelijke gezondheid, meer specifiek door het scheppen van omstandigheden die een ieder in geval van ziekte geneeskundige bijstand en verzorging waarborgen (zoals bepaald in artikel 12, lid 2,d van het Internationaal Verdrag inzake de Economische, Sociale en Culturele Rechten).

Recent werd de Belgische Minister van Volksgezondheid in gebreke gesteld namens tientallen chronisch pijnpatiënten en namens 15 westers geschoolde “klassieke” dokters/geneesheren.

De Minister erkende in haar antwoord het probleem en stelde dat zij de drijvende kracht was achter een wetsontwerp (dat ten gevolge van de val van de regering werd omgevormd tot een wetsvoorstel) tot oprichting van een speciaal regeringsbureau, conform internationale verplichtingen (zie art. 23 en 28 van het Enkelvoudig Verdrag van de VN van 30 maart 1961).

De Minister stelde ook dat door de goedkeuring van dit voorstel de Regering in staat zal zijn om vergunningen te verlenen aan bedrijven om ‘een gestandaardiseerd product’ dat aan de hoogste kwaliteitseisen voldoet, te produceren. Wanneer dat zal gebeuren werd niet nader geduid. En dat baart zorgen aangezien duidelijk is dat België opnieuw achterop hinkt.

Zowel in Nederland als in Duitsland bestaan reeds nationale “regeringsbureaus” die actief zijn op de markt van de cannabisteelt.  Aan Nederlandse apothekers wordt toegestaan om op eenvoudig (zelfs buitenlands) doktersvoorschrift medicinale cannabis te verkopen.

Hoe lang zal het nog duren vooraleer medicinale cannabis effectief ter beschikking kan worden gesteld in België?

Besluit

Het cannabisbeleid in België loopt achter op de internationale tendens van het legaliseren van medicinale cannabis.

Er bestaat daarnaast een disparaat beleid in de toepassing van straffen voor cannabisgebruikers, terwijl er tevens stemmen opgaan om cannabisgebruik uit het strafrecht te halen.

Burgers (waaronder niet-problematische cannabisgebruikers) zien legaal opererende growshops in het straatbeeld, en lezen in de krant over een nultolerantiebeleid en effectieve vervolging.

Het Belgische cannabisbeleid dreigt op den duur een sterker verwarrend en bedwelmend effect te hebben dan cannabis zelf.

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2019-05-21T16:49:44+00:00