>Over de herziening van gerechtelijke dwalingen
herziening gerechtelijke dwaling

Door Joachim Meese – 13/10/2016 – In de kijker

over de herziening van gerechtelijke dwalingen

Niets zo erg als een gerechtelijke dwaling. Een op een waar gebeurd verhaal gebaseerde serie zoals Making a murderer laat wellicht al niemand onberoerd, maar daarnaast zijn er ook af en toe berichten over (lang)gestraften wiens onschuld uiteindelijk moet worden vastgesteld, bijvoorbeeld op basis van dna-analyses op oude sporen. Het zou echter een illusie zijn te denken dat gerechtelijke dwalingen enkel een Amerikaans probleem vormen. Elke rechtstaat moet er immers rekening mee houden dat niemand onfeilbaar is, zodat ook een juridisch vastgestelde ‘waarheid’ feitelijk onjuist kan zijn. Geen enkel land wordt dus gespaard van gerechtelijke dwalingen. Dat heeft het verleden overigens ook al aangetoond in heel wat landen, ook dicht bij ons. Zo was er bijv. een tiental jaar terug de zaak Outreau in Frankrijk waarin tien Fransen onterecht werden beschuldigd van deelname aan een pedofielennetwerk. Ook Nederland kende al verschillende gerechtelijke dwalingen, waaronder de Puttense moordzaak (2002), de Schiedammer parkmoord (2005) en de zaak Lucia de B. (2010).

Alhoewel in een democratische rechtstaat definitieve rechterlijke beslissingen principieel dienen te worden gerespecteerd, moet een rechtstaat dus openstaan voor de mogelijkheid dat aangetoond wordt dat een strafrechtelijke veroordeling berust op een vergissing en de moed hebben om dergelijke vergissingen recht te zetten. In veel landen bestaat dan ook een speciale commissie die gelast wordt met het onderzoek naar klachten over gerechtelijke dwalingen. Voor het bestaan van zo’n commissie werd ook in ons land al gepleit. In een advies van 22 juni 2016 liet de Hoge Raad voor de Justitie optekenen “dat de tussenkomst van een buitengerechtelijk en onafhankelijk orgaan aanzienlijke voordelen heeft en een alternatief is dat niet zomaar terzijde kan worden geschoven”. Heel wat kranten berichtten gisteren al over de zaak Filip Meert, die een gevangenisstraf verkiest boven een enkelband als bestraffing voor het vernielen van een autospiegel, om op die manier aandacht te vragen voor zijn eerdere veroordeling wegens btw-fraude die volgens hem een gerechtelijke dwaling uitmaakt.

Hoe verloopt de herzieningsprocedure in België?

België heeft dan wel geen onafhankelijke commissie ter beoordeling van gerechtelijke dwalingen, maar toch kan er niet gezegd worden dat het slachtoffer van een onterechte veroordeling helemaal geen toegang heeft tot de rechter. Er is namelijk wel degelijk een herzieningsprocedure, namelijk de herziening in strafzaken (art. 443 e.v. van het Wetboek van Strafvordering). Daarnaast is er ook de mogelijkheid om een heropening van de strafrechtspleging te bekomen wanneer het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in een welbepaalde zaak definitief beslist heeft dat er sprake is geweest van een schending van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens of van de aanvullende protocollen bij dat Verdrag, of wanneer er daarover een minnelijke schikking is getroffen tussen de Belgische Staat en de verzoeker waarbij de Staat deze schending erkent (art. 442bis van het Wetboek van Strafvordering).

Het probleem met de herziening in strafzaken is echter dat de voorwaarden eerder strikt zijn.

Vooreerst zijn veroordelingen tot politiestraffen al helemaal uitgesloten van herziening, zelfs al blijkt die veroordeling achteraf volstrekt onjuist te zijn.

Wat de overige veroordelingen betreft, zijn er drie gronden tot herziening: ofwel moet er sprake zijn van tegenstrijdige veroordelingen van verschillende personen voor hetzelfde feit, ofwel moet men te maken hebben met een veroordeling van een getuige wegens valse getuigenis, ofwel moet er sprake zijn van een nieuw feit dat bewijst dat de veroordeelde onschuldig is. Die laatste herzieningsgrond is veruit de belangrijkste en werd ingevoerd in 1894. Aan het begrip ‘nieuw feit’ worden echter strenge voorwaarden gekoppeld. Zo is een vergissing van de rechter geen nieuw feit, net zoals ook nieuwe rechtspraak dat niet is. Ook wanneer een deskundige zich heeft vergist, wordt dat niet als een nieuw feit beschouwd. Ook een nieuw deskundigenonderzoek is dat niet, tenzij daarbij gebruik wordt gemaakt van een nieuwe techniek die op het ogenblik van de vervolging onbekend was. Het spreekt dus voor zich dat op grond van deze restrictieve herzieningsmogelijkheden niet elke rechterlijke vergissing in aanmerking komt voor rechtzetting.

Ook de procedure tot herziening is voor verbetering vatbaar. Zo is de rol van het Hof van Cassatie, bij wie een verzoek tot herziening moet worden ingediend, vrij beperkt. Het Hof spreekt zich namelijk enkel uit over de ontvankelijkheid van het verzoek en beoordeelt dus niet de waarde van de aangevoerde feiten. Is de aanvraag ontvankelijk, dan wordt de zaak overgemaakt aan één van de vijf hoven van beroep voor advies. Dat advies is eigenlijk bindend, want het wordt vervolgens door het Hof van Cassatie enkel nog op de wettelijkheid ervan getoetst. Meestal wordt advies gevraagd aan een ander hof van beroep dan datgene dat eerder al over de zaak uitspraak deed. In de zaak Filip Meert gebeurde dat niet (er werd geadviseerd door het hof van beroep van Antwerpen, dat ook beslist had tot de veroordeling) en dat leidde – terecht – tot kritiek. Alhoewel dat wettelijk gezien niet verboden is, is het immers begrijpelijk dat de verzoeker tot herziening daardoor een schijn van partijdigheid ervaart, zelfs al wordt het advies uiteraard wel uitgesproken door andere raadsheren van hetzelfde hof van beroep. Toch levert dat volgens het Hof van Cassatie geen gewettigde verdenking op.

Het voorbeeld van Nederland

In Nederland werd de herzieningsprocedure verruimd in 2012. Herziening is er nu mogelijk telkens er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was. Ook in Nederland leveren rechterlijke onoplettendheid en rechterlijk onbegrip dus geen grond tot herziening op. Een nieuw deskundigenverslag zou er, anders dan in België, wel voldoende kunnen zijn.

Verschil met België is verder dat de Hoge Raad der Nederlanden (het Nederlandse equivalent voor het Hof van Cassatie van België) zelf de touwtjes in handen houdt. Er kan wel advies worden ingewonnen van een commissie belast met de advisering over de wenselijkheid van een nader onderzoek (ACAS). In die commissie zetelen geen rechters. Ook voorafgaand aan 2012 werd trouwens al gewerkt met een afzonderlijk commissie (met name vanaf 2006).

Het aantal ingediende verzoeken tot herziening in Nederland is eerder laag (21 verzoeken in 2013-2014 en 6 verzoeken in 2015), alhoewel er in het verleden wel meer verzoeken werden ingediend (bijv. 86 in 2008 en 43 in 2011).

Andere landen

Frankrijk kent een regeling die relatief vergelijkbaar is met de Belgische, al is het wel zo dat het Franse Hof van Cassatie zelf beslist over de herziening. Het aantal verzoeken is eerder aan de hoge kant (bijv. 157 in 2014 – bron).

Erg interessant is de procedure in Engeland, waar weliswaar een volstrekt andere strafrechtspleging geldt met minder mogelijkheden inzake hoger beroep. De Criminal Cases Review Commission buigt zich er sedert 1997 als onafhankelijke onderzoekscommissie over afgesloten strafzaken. Tot op heden werden al 21.420 verzoeken tot herziening ingediend waarvan er 625 werden verwezen naar een rechter omdat er sprake was van een ‘unsafe conviction’ (bron). De commissie werkt erg laagdrempelig en kan ook zelf een onderzoek instellen. De samenstelling is erg divers. Zo zetelen er momenteel niet enkel advocaten, maar bijv. ook een gerenommeerd journalist en auteur. Er zijn minstens elf leden, op dit ogenblik zijn er elf leden en een voorzitter. Schotland kent een gelijkaardige commissie, de Scottish Criminal Cases Review Commission.

Dergelijke commissie zijn trouwens niet enkel in Angelsaksische landen terug te vinden. Ook Noorwegen bijv. heeft een Criminal Cases Review Commission.

Besluit

Alhoewel in België maar weinig gerechtelijke dwalingen effectief aan de oppervlakte komen, zou het naïef zijn te denken dat ons rechtssysteem immuun is voor fouten. Het zou dan ook een goede zaak zijn mocht de wetgever tegemoet komen aan de nood tot aanpassing van het huidige stelsel van herziening in strafzaken en daarbij het advies van de Hoge Raad voor de Justitie in acht nemen. Er mag gehoopt worden dat in afwachting daarvan het Hof van Cassatie niet meer, zoals in de zaak Filip Meert, het advies toebedeelt aan het hof van beroep dat de betwiste veroordeling heeft uitgesproken.

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2018-06-05T22:09:13+00:00