>Over nummerplaten, privacy en de verkeersboete
Verkeersboete

Door Joachim Meese – 18/12/2017 – In de kijker

over nummerplaten, privacy en de verkeersboete

Er is de voorbije week heel wat te doen geweest over de arresten van het Hof van Cassatie van 13 december 2016 aangaande de identificatie van de houder van een nummerplaat door de politie. Meteen hadden heel wat burgers vragen bij de rechtsgeldigheid van de verkeersboetes die in het verleden werden betaald of die nog te betalen vallen.

Achtergrond

Wanneer een verkeersovertreding wordt vastgesteld door een (onbemande) camera, beschikt men wel over een foto van de nummerplaat van de wagen waarmee de overtreding werd begaan, maar weet men nog niet wie de wagen bestuurde. Om dat te weten te komen, wordt via het DIV (Dienst inschrijving der voertuigen) een beroep gedaan op de gegevens die opgenomen zijn in de Kruispuntbank van de voertuigen. Op die manier kan de houder van de nummerplaat worden geïdentificeerd. Overeenkomstig artikel 67bis van de Wegverkeerswet wordt er immers – wanneer de bestuurder niet werd geïdentificeerd op het ogenblik van de vaststelling – uitgegaan van de veronderstelling dat de overtreding werd begaan door de houder van de nummerplaat als deze is ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon. Uiteraard kan dat vermoeden van schuld wel worden weerlegd. De houder van de nummerplaat die niet zelf de overtreding beging, is overigens niet verplicht de identiteit van de werkelijke bestuurder kenbaar te maken. Wanneer de rechter dus vaststelt dat de houder van de nummerplaat niet zelf de overtreding beging (bijv. omdat hij niet op de bestuurder op de foto lijkt of omdat hij kan aantonen dat hij in het buitenland was op het ogenblik van de feiten) kan hij hem niet veroordelen op grond van het feit dat hij weigert te zeggen aan wie hij zijn wagen heeft uitgeleend (Cass. 5 mei 2004, AR P.04.0104.F). Meestal doet de houder van de nummerplaat dat wel, omdat hij niet het bewijs kan leveren van zijn onschuld. En in dat geval wordt hij omwille van het wettelijk vermoeden van schuld, dus veroordeeld. Het Hof van Cassatie besliste ook al dat dit weerlegbaar vermoeden van schuld geen onverantwoorde aantasting vormt van het vermoeden van onschuld zoals gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Cass. 25 februari 2004, AR P.03.1430.F).

Wat heeft het Hof van Cassatie beslist in de arresten van 13 december 2016?

Eerst en vooral stelt het Hof van Cassatie vast dat zowel het nummer van een kentekenplaat als de identificatiegegevens van de eigenaar van het voertuig (als het een natuurlijke persoon is), persoonsgegevens zijn in de zin van artikel 2, 10° van de wet Kruispuntbank Voertuigen. Daaruit volgt dat een machtiging van het ‘Sectoraal comité’ vereist is voor elke toegang tot de gegevens van de Kruispuntbank voertuigen, andere dan de gegevens vermeld in het gelijkvormigheidsattest of certificaat van overeenstemming. Ook de politie moet dus, om die gegevens te raadplegen, beschikken over de vereiste machtiging. En dat is nu net het probleem, aangezien die machtiging niet was aangevraagd. De beslissing van de rechters dat de politie geen machtiging nodig had, werd dus vernietigd.

Wat zijn de gevolgen van deze arresten?

Wanneer het Hof van Cassatie een beslissing vernietigt, moet over de zaak opnieuw worden beslist door een een andere rechter van gelijke rang. De zaak wordt dus verwezen naar die andere rechter, tenzij er na de vernietiging nergens meer over te beslissen valt (bijv. omdat de zaak definitief is verjaard). In principe is de rechter naar wie de zaak verwezen is, niet gebonden door de beslissing van het Hof van Cassatie. Maar in de praktijk worden die beslissingen wel gevolgd. Na een tweede vernietiging op hetzelfde punt, is de beslissing van het Hof van Cassatie trouwens wel bindend. Ook andere rechters houden zich in de praktijk nagenoeg steeds aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie.

Hieruit volgt dat sedert de arresten van het Hof van Cassatie van 13 december 2016, de politierechters en in graad van beroep de correctionele rechtbanken moeten vaststellen dat de identificatie van de houder van een nummerplaat die door de politie aan het DIV werd aangevraagd zonder machtiging, onregelmatig is.

Nochtans betekent dat niet dat meteen ook moet worden beslist tot vrijspraak en dit om twee redenen.

Eerste mogelijkheid: het bewijs wordt toch gebruikt

Ten eerste is het mogelijk dat de rechter beslist om het bewijs toch te gebruiken. Deze week werd al bericht over de beslissing van een politierechter in die zin, omdat de verkeersveiligheid belangrijker werd geacht dan het recht op privacy.

Sedert 2003 geldt als algemene regel dat onrechtmatig bewijs mag worden gebruikt, tenzij in drie gevallen (art. 32 van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering): wanneer het miskende voorschrift op straffe van nietigheid is voorgeschreven (wat hier niet het geval is), wanneer de onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast (wat hier evenmin moeilijk het geval kan zijn), of wanneer het gebruik van het onrechtmatig verkregen bewijs het eerlijk karakter van het proces in het gedrang zou brengen. Alleen dat laatste criterium kan dus in dit geval leiden tot uitsluiting van het bewijs. Meestal wordt daarbij een afweging gemaakt die door het Hof van Cassatie werd ontwikkeld: overstijgt de ernst van het misdrijf veruit de begane onrechtmatigheid, dan mag het onrechtmatig verkregen bewijs worden gebruikt.

Wanneer bij de beoordeling van een standaard snelheidsovertreding wordt gezegd dat de ernst van het misdrijf veruit de begane onrechtmatigheid (namelijk een schending van de privacy) overstijgt, dan kan men zich de vraag stellen of er ooit nog wel een geval zal zijn waarbij het omgekeerde wordt vastgesteld. Is het bestraffen van een overtreder die geflitst is aan pakweg 128 km/u op de autosnelweg werkelijk zoveel belangrijker dan het doen respecteren door de overheid van wetgeving die de privacy beschermt? Als dat zo is, dan wordt er wel heel erg weinig belang gehecht aan de naleving door de overheid van de eigen wetgeving. Kan men dan eigenlijk nog wel tegelijkertijd streng zijn voor de burger die de wet overtreedt?

De politierechter die eerder deze week besliste dat de verkeersveiligheid primeert boven het recht op privacy, heeft eigenlijk de bovenstaande afweging niet correct toegepast. Die afweging heeft namelijk betrekking op de ernst van het misdrijf in het individuele voorliggende geval. Niet op datgene wat met het bestraffen van dergelijk misdrijf in het algemeen wordt beoogd. Niet elke snelheidsovertreding leidt in concreto tot (even veel) verkeersonveiligheid, dus kan moeilijk van elke snelheidsovertreding worden gezegd dat die even ernstig is. Net zoals een diefstal van een chocoladereep door een achttienjarige ook minder ernstig is dan de diefstal van tal van kostbare juwelen in een juwelierszaak door een ‘professionele’ dief. In het tweede geval zou het best kunnen dat de rechter oordeelt dat bewijs dat verkregen is via een onrechtmatige huiszoeking mag worden gebruikt omdat het misdrijf zeer ernstig is, in het eerste geval lijkt dat op zijn zachtst gezegd een brug te ver. Het feit dat diefstal in het algemeen bestraft wordt om onder meer het eigendomsrecht te doen respecteren en om het veiligheidsgevoel hoog te houden, verandert daar niets aan. Er anders toe beslissen, zou er immers toe leiden dat de hoger bedoelde afweging eigenlijk altijd in het voordeel van de overheid moet worden uitgelegd …

Dit alles betekent echter niet dat het deze discussie is die noodzakelijkerwijs doorslaggevend is voor de vraag of het bewijs al dan niet mag worden gebruikt. De rechter kan eigenlijk in eender welke zaak eender welke richting uit (zie ook dit eerder bericht). Hij kan bijv. beslissen om de hoger beschreven afweging helemaal niet te gebruiken en op die manier dus de heikele kwestie van de lichtheid of de ernst van de verkeersinbreuk omzeilen. Zo zou de vaststelling dat het bewijs mag worden gebruikt omdat de onrechtmatigheid volgens de rechter niet opzettelijk werd begaan en evenmin het gevolg is geweest van een niet te verschonen nalatigheid, op dat punt niet kunnen worden vernietigd door het Hof van Cassatie.

Tweede mogelijkheid: er volgt een tweede identificatie, ditmaal regelmatig

Er is nog een tweede reden waarom ook voor reeds eerder gedane vaststellingen die nog moeten worden berecht, niet noodzakelijk een vrijspraak zal volgen. Niets lijkt zich er immers tegen te verzetten dat in een dergelijke zaak gewoon opnieuw een vraag tot identificatie aan het DIV wordt gericht door het openbaar ministerie of zelfs door de politie eenmaal de vereiste machtiging er is. Zolang de strafvordering niet is verjaard, kan het probleem voor de vervolgende overheid dus wellicht wel op die manier worden opgelost. Het bewijs dat onrechtmatig verkregen werd, is namelijk niet het bewijs dat het misdrijf gepleegd werd (de foto van de wagen in overtreding), maar louter het bewijs dat de gefotografeerde nummerplaat behoort tot een welbepaalde natuurlijke persoon. En zelfs als dat bewijs wordt uitgesloten, kan het opnieuw worden verkregen op rechtmatige wijze.

Storm in een glas water?

Dit alles leidt er toe dat de saga van de verkeersboete en het recht op privacy wellicht niet meer is dan een storm in een glas water. In een reeds gedagvaarde zaak kan een en ander wellicht wel tot discussie of vertraging leiden, maar het zou dus niet verstandig zijn om op basis hiervan alleen te beslissen een voorgestelde onmiddellijke inning niet te betalen.

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2018-06-05T22:07:06+00:00