>Potpourri II wet: een overzicht
Potpourri II

Door Joachim Meese en Johan Heymans – 01/03/2016 – In de kijker

potpourri ii: een overzicht

Op 19 februari 2016 werd de Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (beter gekend als de Potpourri II wet) gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Deze wet treedt reeds vandaag (1 maart 2016) in grote mate in werking. Alhoewel het de bedoeling was van de wetgever om in afwachting van een grote hervorming van het strafprocesrecht alvast enkele quick wins te introduceren, zal de potpourri II wet toch op ingrijpende wijze de werking van ons strafrechtsysteem wijzigen. Hieronder worden alvast de belangrijkste krachtlijnen kort toegelicht.

1. De veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden

Vanaf 1 maart 2016 kan elke misdaad, ongeacht de ernst ervan, worden gecorrectionaliseerd. Misdaden hoeven dus niet langer voor een hof van assisen te worden gebracht maar kunnen worden berecht door een correctionele rechtbank.

De keuze om misdaden al dan niet te correctionaliseren behoort soeverein toe aan de onderzoeksgerechten. De Potpourri II-wet voorziet geen precieze criteria om deze keuze te sturen, wel zou door het college van Procureurs-generaal een niet-bindende richtlijn worden uitgevaardigd om het vorderingsbeleid van het openbaar ministerie wat dit betreft te uniformiseren.

2. De invoering van de ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan 4 maanden

De verzwarende omstandigheden “blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid”, “blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk” en “blijvende arbeidsongeschiktheid” worden doorheen het Strafwetboek en in een reeks bijzondere strafwetten vervangen door de verzwarende omstandigheid “ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden”.

De wetgever voerde deze aanpassing door om de procedure voor de strafrechter te versnellen. Voor feiten vanaf 1 maart 2016 zal men, van zodra een ongeschiktheid meer dan 4 maanden duurt, de nieuwe verzwarende omstandigheid kunnen hanteren en de feiten bestraffen zonder te moeten wachten op de verdere gevolgen van het misdrijf.

3. De verjaring van de strafvordering wordt aangepast

In het licht van de veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden en de wijzigingen die reeds aan de verjaring werden aangebracht door de eerste Potpourri-wet werd artikel 21bis VTSv., de wetsbepaling aangaande de verjaring, volledig herschreven.

De wet voorziet een limitatieve lijst van de zwaarste misdaden die, zelfs na correctionalisatie, slechts verjaren na het verstrijken van een termijn van 15 of 20 jaar (afhankelijk van het type misdrijf en van het feit of het slachtoffer meerderjarig of minderjarig is). Andere misdaden verjaren nog steeds na het verstrijken van een termijn van 10 jaar als de straf 20 jaar te boven gaat. Voor wanbedrijven de rest van de gecorrectionaliseerde misdaden blijft de verjaringstermijn 5 jaar, voor gecontraventionaliseerde wanbedrijven 1 jaar en voor overtredingen 6 maanden. Dit zijn uiteraard de verjaringstermijnen uit het gemeen recht, waarvan in bijzondere wetten kan afgeweken worden (wat bijv. in verkeerszaken het geval is).

Voor bepaalde zedenmisdrijven werd de verjaringstermijn verlengd. Indien het gaat om opeenvolgende zedenmisdrijven die met eenheid van opzet werden gepleegd, begint de verjaringstermijn voor alle feiten samen namelijk pas te lopen op het ogenblik dat het jongste (waarmee bedoeld wordt het laatst geboren) slachtoffer de leeftijd van 18 jaar bereikt heeft. Wel mag de termijn verstreken tussen die opeenvolgende misdrijven de verjaringstermijn voor dat specifieke misdrijf niet hebben overschreden.

Daarnaast voorziet de Potpourri II-wet ook een bijkomende schorsingsgrond: indien, gedurende een verzetsprocedure, het verzet onontvankelijk of ongedaan wordt verklaard dan is de verjaring geschorst gedurende heel die verzetsprocedure.

4. De uitbreiding van de mini-instructie

De mini-instructie laat het openbaar ministerie toe om, zonder dat daarvoor een gerechtelijk onderzoek geopend moet worden, bij de onderzoeksrechter bepaalde onderzoeksmaatregelen te vorderen die in principe enkel binnen het kader van een gerechtelijk onderzoek gesteld kunnen worden (art. 28septies Sv.).

De Potpourri II-wet breidt het aantal onderzoekshandelingen waarvoor het openbaar ministerie beroep kan doen op het mechanisme van de mini-instructie uit: ook huiszoekingen vallen nu binnen het toepassingsgebied.

5. De aanpassingen aangaande telecommunicatie in het strafonderzoek

Artikel 90quater Sv. voorzag oorspronkelijk een aantal vormvereisten die op straffe van nietigheid dienden te worden vermeld in elke machtiging tot het afluisteren van telecommunicatie. Deze automatische nietigheidssanctie wordt nu door de wetgever afgeschaft. Het is daarbij wel belangrijk te onderstrepen dat het miskennen van de voorgeschreven vormvereisten nog steeds kan leiden tot bewijsuitsluiting indien de betrouwbaarheid van het bewijs erdoor is aangetast of het recht op een eerlijk proces erdoor is geschonden (art. 32 VTSv.).

Daarnaast preciseert de nieuwe wetgeving dat de onderzoekers enkel de relevante passages – en dus niet het gehele gesprek – van de afgeluisterde communicaties in hun processen-verbaal dienen te hernemen. De inverdenkinggestelde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij kunnen echter wel op eenvoudig verzoek toegang krijgen tot de volledige opname van de gesprekken waaruit de onderzoekers passages hebben geselecteerd.

6. Conclusies in strafzaken worden geformaliseerd

Het uitgangspunt van het Wetboek van Strafvordering blijft dat strafzaken op de eerste zitting dienen behandeld te worden. Echter wanneer partijen op de inleidingszitting nog geen conclusies hebben neergelegd en zij dit alsnog wensen te doen, moet strafrechter hieraan gevolg geven door conclusietermijnen vast te leggen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Dergelijke conclusietermijnen zijn bindend wat met zich meebrengt dat de conclusies van alle procespartijen – ook van het openbaar ministerie – vóór het verstrijken van de vastgelegde termijnen moeten worden neergelegd ter griffie en bezorgd aan de andere procespartijen. Conclusies die hieraan niet voldoen – en die dus te laat worden neergelegd – worden ambtshalve uit de debatten geweerd.

Laattijdige conclusies kunnen in principe wel nog tot de debatten worden toegelaten indien 1) er een akkoord bestaat tussen de betrokken partijen of 2) er een nieuw en ter zake dienend stuk of feit wordt ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt. Desalniettemin, in beide situaties, kan een strafrechter toch weigeren om laattijdige conclusies in de debatten toe te staan indien hij van oordeel is dat deze conclusies louter dilatoir zijn of de rechten van andere partijen of het verloop van de rechtspleging schenden.

Conclusies in strafzaken moeten daarenboven vanaf 1 maart 2016 worden opgesteld conform de vormvereisten vastgelegd in de artikelen 743 en 744 Ger. W.

7. Verstek en verzet in strafzaken wordt ingeperkt

De Potpourri II-wet beperkt ook de mogelijkheid om verzet aan te tekenen tegen verstekvonnissen van de politierechtbank en de correctionele rechtbank. Het volstaat namelijk niet langer om op ontvankelijke wijze verzet aan te tekenen, de strafrechter mag het verzet ook als ongedaan beschouwen.

Een verzet zal met name als ongedaan worden beschouwd indien de eiser in verzet kennis had van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan en hij geen gewag maakt van “overmacht” of van een “wettige reden van verschoning”. Overmacht is een gekend begrip, maar wat precies onder een wettige reden van verschoning moet verstaan worden, blijkt niet uit de tekst van de wetsbepaling of de parlementaire voorbereidende werken en zal dus door de rechtspraak moeten worden ingevuld. In elk geval moet er dus voortaan op verzet een goede reden worden aangevoerd waarom men niet ter zitting aanwezig was of vertegenwoordigd was.

Tegen een beslissing die in eerste aanleg op verzet is gewezen staat wel hoger beroep open. De appelrechter kan dan ook over de grond van de zaak oordelen, zelfs al werd er geen hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis.

8. Hoger beroep in strafzaken wordt aangepast

De beroepstermijn in strafzaken wordt opgetrokken van 15 naar 30 dagen te tellen vanaf de dag volgend op het vonnis of op de betekening ingeval van een verstekvonnis.  Het openbaar ministerie beschikt over een bijkomende termijn van 10 dagen om hoger beroep in te stellen nadat de beklaagde of de burgerrechtelijke aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld (art. 203 Sv.).

In diezelfde zin beschikt de burgerlijke partij tegen wie beroep wordt ingesteld over een bijkomende termijn van 10 dagen om hoger beroep aan te tekenen tegen de beklaagden of burgerrechtelijk aansprakelijke partijen die zij in de zaak wil houden.

Daartegenover staat dat partijen die, vanaf 1 maart 2016, beroep wensen aan te tekenen op straffe van verval zullen moeten opsommen welke grieven zij tegen het aangevochten vonnis wensen te formuleren. Om aan deze vereiste tegemoet te komen, kan er worden gewerkt met het modelgrievenformulier dat terug te vinden is in het Koninklijk Besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid van het Wetboek van strafvordering (BS 19 februari 2016).

Het is belangrijk om deze grieven zo ruim mogelijk te formuleren. Minister van Justitie Koen Geens vermeldde namelijk tijdens de tweede lezing in de Commissie Justitie dat, naast de in het verzoekschrift tot hoger beroep geformuleerde grieven, geen bijkomende grieven ter terechtzitting zouden kunnen worden opgeworpen. De uiteindelijke wetstekst is op dit vlak echter weinig duidelijk en in zoverre het juist zou zijn dat geen bijkomende grieven kunnen worden opgeworpen, zal de nieuwe regeling tot veel procedurele vragen aanleiding geven. Wel zeker is dat de beroepsrechter, ter terechtzitting, ambtshalve bepaalde grieven van openbare orde kan opwerpen, onder meer betreffende zijn bevoegdheid, de verjaring van de strafvordering en de kwalificatie van de feiten.

Ten slotte voorziet de wet ook in een regeling voor alle procespartijen om afstand te doen van het ingestelde hoger beroep of om het in te perken. Dat maakt het ook voor het openbaar ministerie mogelijk om voortaan afstand te doen van een ingesteld hoger beroep.

9. Minnelijke schikking in strafzaken aangepast

Het mechanisme van de minnelijke schikking laat het openbaar ministerie toe om onder bepaalde voorwaarden aan diegene die ervan verdacht wordt een misdrijf te hebben gepleegd, voor te stellen om een bepaalde geldsom te betalen in ruil voor het verval van de strafvordering. Dit zal vanaf 1 maart 2016 enkel nog mogelijk zijn indien er nog geen eindvonnis of- arrest is gewezen. De wetgever wilde namelijk niet langer dat er nog geschikt kan worden na een veroordeling in eerste aanleg. Het feit dat een minnelijke schikking werd afgesloten, zal bovendien vermeld worden in het strafregister maar niet op het attest van goed gedrag en zeden.

10. Wijzigingen aangaande het cassatieberoep

De mogelijkheid tot het aantekenen van cassatieberoep tijdens een nog lopend strafonderzoek wordt ernstig ingeperkt.

Zo is er geen onmiddellijk cassatieberoep meer mogelijk tegen beschikkingen van de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling inzake de regeling der rechtspleging en inzake de handhaving van de voorlopige hechtenis tenzij tegen de eerste handhaving. Ook tegen beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling inzake de controle op de bijzondere opsporingsmethoden of inzake de controle op het gerechtelijk onderzoek is geen onmiddellijk cassatieberoep meer mogelijk.

Cassatieberoepen tegen dergelijke beslissingen zullen vanaf 1 maart 2016 dus moeten ingesteld worden samen met het cassatieberoep tegen de einduitspraak ten gronde.

11. Introductie van het mechanisme van de guilty plea

Geïnspireerd door het Angelsaksisch strafrecht voert de Belgische wetgever het mechanisme van de “guilty plea” in. Deze procedure houdt in dat het openbaar ministerie, in ruil voor een voorafgaande erkenning van schuld, de verdachte of beklaagde een straf kan aanbieden die lager ligt dan dewelke zij zou hebben gevorderd indien de zaak voor een rechter ten gronde zou zijn gebracht. Er is echter geen sprake van een verplichte strafvermindering ten opzichte van de maximumstraf of ten opzichte van straftoemetingsrichtlijnen zoals in Angelsaksische landen doorgaans het geval is.

Een dergelijke guilty plea is enkel mogelijk voor misdrijven die niet werden uitgesloten (zoals onder meer doodslag, moord, kinderporno en- prostitutie en verkrachting) en waarvoor het openbaar ministerie, in concreto, niet meent een gevangenisstraf van meer dan 5 jaar te moeten vorderen. Een guilty plea is evenmin mogelijk indien reeds een eindvonnis of -arrest werd uitgesproken.

Indien een akkoord wordt gevonden, ondertekenen de procureur des Konings, de verdachte of beklaagde en diens advocaat, die hem verplicht moet bijstaan, een overeenkomst die moet worden gecontroleerd en gehomologeerd door een rechter tijdens een rechtszitting. Ter terechtzitting kunnen eventuele slachtoffers zich ook burgerlijke partij stellen en aanspraak maken op een schadevergoeding.

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2018-06-05T22:20:06+00:00