>Recidivegevaar en onmiddellijke aanhouding: is het gevaar nu geweken?
sport

Door Yasmina El Kaddouri en Wahib El Hayouni – 6/12/2019 – In de kijker

recidivegevaar en onmiddellijke aanhouding: is het gevaar nu geweken?

In de nasleep van de moord op de 23-jarige Julie Van Espen op 4 mei 2019 zou de wet met betrekking tot de onmiddellijke aanhouding worden gewijzigd. Een eerste stap werd gezet door de goedkeuring van een wetsvoorstel dat ter bekrachtiging aan de Koning werd voorgelegd en weldra wet wordt. Gaat het de goede richting uit? Daar proberen we in deze bijdrage duidelijkheid over te brengen.

Het principe van de onmiddellijke aanhouding

Wanneer de vonnisrechter – dit kan zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep – zich uitspreekt over de schuldvraag én de beklaagde veroordeelt tot een gevangenisstraf, kan (indien aan bepaalde voorwaarden voldaan wordt) het openbaar ministerie de onmiddellijke aanhouding vorderen. In dat geval wordt de beklaagde ter zitting, althans als hij/zij aanwezig is, onmiddellijk van zijn/haar vrijheid beroofd en naar de gevangenis overgebracht.

De onmiddellijke aanhouding is mogelijk bij een veroordeling tot een effectieve gevangenisstraf van minimum drie jaar. Als het gaat om een veroordeling wegens voyeurisme, aanranding van de eerbaarheid of verkrachting (artikelen 371/1 t.e.m. 387 van het Strafwetboek) of een veroordeling voor een terroristisch misdrijf (titel Iter van boek II van het Strafwetboek), volstaat een minimumgevangenisstraf van 1 jaar zonder uitstel.

Het openbaar ministerie dient de onmiddellijke aanhouding te vorderen. Hoewel de vonnisrechter finaal beslist, kan hij dit niet ambtshalve bevelen. De wet stelt dat de rechter moet afwegen of “(…) de beklaagde of de beschuldigde zich aan de uitvoering van de straf zou pogen te onttrekken (…)”.

Met andere woorden: de vonnisrechter mag enkel rekening houden met het al dan niet bestaan van vluchtgevaar waardoor de veroordeelde de uitvoering van zijn straf zou pogen te ontlopen.

De wetswijziging: ‘recidivegevaar’ als bijkomend criterium

Wat de rechter, volgens de wet, echter (nog) niet in rekening mag brengen, is het gevaar op recidive, dit is het gevaar op herval tot het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten. Zo is te verklaren dat in de zaak Julie Van Espen het feit dat de veroordeelde reeds 6 maal was veroordeeld voor het plegen van andere zedenfeiten in se geen invloed heeft gehad op de beoordeling van de vordering tot onmiddellijke aanhouding.

Maatschappelijk voelt dit zeer wrang aan.

Het aangenomen wetsvoorstel wil hieraan tegemoetkomen. De rechter zou niet enkel meer moeten nagaan of er een vluchtgevaar bestaat, maar ook of de veroordeelde “(…) nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen (…).” Bijgevolg is het recidivegevaar, naast het vluchtgevaar, een (nieuw) criterium dat de vonnisrechter in acht zal moeten nemen bij de beoordeling van de vordering tot onmiddellijke aanhouding.

Kan dit tot meer rechtvaardige beslissingen leiden, of wordt dit bijkomende criterium een lege doos?

De beoordeling van het recidivegevaar is geen eenvoudige opdracht. Men kan aannemen dat als er, bij bepaalde misdrijven, effectief een ernstige kans op recidive bestaat, de maatschappij beter beschermd wordt door de veroordeelde onmiddellijk in hechtenis te nemen.

De  hamvraag is evenwel: hoe zal de rechter dat kunnen beoordelen? Mogen we ervan uitgaan dat er voldoende mogelijkheden voorhanden zijn of dat er een uitgewerkte praktijk bestaat, om een rechter toe te laten een ernstige en rationele beoordeling van het recidivegevaar te maken?

Als dat niet zo is, dan zal de wetswijziging een lege doos blijven. Meer nog, dan belast men de rechter met een opdracht die hij niet in redelijkheid en op een ernstige manier kan uitvoeren.

In dat geval wacht ons willekeur en mogelijk nieuwe schandalen.

Een debat dat gaat over (het ontnemen van) de vrijheid van een persoon kan niet grondig genoeg gevoerd worden, reden waarom wij menen dat een kritisch debat moet gevoerd worden over de manier waarop de nieuwe wet succesvol kan toegepast worden.

De oplossing voor deze vraag ligt volgens ons in het verplicht, structureel en stelselmatig invoeren en opwaarderen van een sociaal, maatschappelijk en eventueel psychologisch onderzoek in elke strafonderzoek waar op een bepaald moment een rechter beslist om iemand onder aanhoudingsmandaat te plaatsen.

In de (in de praktijk minder voorkomende) situatie waarin aan de vordering tot onmiddellijke aanhouding geen voorlopig hechtenis is voorafgegaan, dient het openbaar ministerie er voor te zorgen dat het hiervoor beschreven onderzoek beschikbaar is, zodat de rechter (en uiteraard ook de verdediging) de mogelijkheid krijgt om het recidivegevaar met kennis van zaken te beoordelen.

Dit sociaal, maatschappelijk en eventueel psychologisch onderzoek is essentieel, zowel in het kader van de beslissingen tot verdere handhaving van de voorlopige hechtenis, maar ook voor de vonnisrechter die uiteindelijk, indien de feiten bewezen verklaard worden, een gepaste bestraffing zal dienen uit te spreken en moet beslissen over een mogelijke onmiddellijke aanhouding.

Een mogelijke kritiek op een dergelijk voorstel zal vermoedelijk wijzen op een verhoging van de werklast bij magistraten en de gespecialiseerde (sociale) diensten en de budgettaire beperkingen, doch hierbij moet ook in acht worden genomen dat een hechtenis evenzeer belastend is voor de Schatkist.

De noodzaak van dergelijk onderzoek blijkt des te meer uit de praktijk. Het aantal dossiers dat namelijk op één voormiddag vaak dient te worden behandeld maakt het vaak de facto onmogelijk voor rechters om voldoende geïnformeerd een beslissing te nemen, wat soms het gevoel bij de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de veroordeelde doet rijzen dat hij/zij het zoveelste nummer is van de dag en dat hij/zij soms afhangt van o.a. of hij/zij de eerste dan wel de laatste zaak is.

Als er niet op een systematische manier werk gemaakt wordt van een sociaal, maatschappelijk en psychologisch onderzoek, zal de rechter bij de beslissing inzake de voorlopig hechtenis of bij de beslissing tot onmiddellijke aanhouding, blijven(d) in het duister tasten. Dit kan er toe leiden dat een veroordeelde ten onrechte onmiddellijk wordt aangehouden of dat de veroordeelde alsnog recidiveert na een veroordeling. Geen van beide is aanvaardbaar. Als de nieuwe wet niet wordt aangevuld met een praktijk van sociaal, maatschappelijk en psychologisch onderzoek, dan wordt de wet een lege doos.

Moet de maatschappij tenslotte ook niet beschermd worden tegen het recidivegevaar van onwetendheid…?

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2019-12-06T12:19:49+00:00