>Strafpleiter Christine Mussche: ‘Intens verdriet is de prijs die je betaalt voor intens graag zien’
sport

Door Christine Mussche – 21/05/2019 – In de kijker

christine mussche: ‘intens verdiet is de prijs die je betaalt voor intens graag zien’

Bron: Knack Magazine
Journalist: Sofie Mulders
Fotografe: Carmen Devos

Als advocate behandelt ze zedendelicten of zaken van kindermisbruik, ze kent de donkere kanten van de mens al te goed. Maar die zwaarte sijpelt niet door in het persoonlijke leven van Christine Mussche, zelfs al heeft de vroege dood van enkele dierbaren haar diep geraakt. ‘Intens verdriet is de prijs die je betaalt voor intens graag zien.’

Waar ze schoonheid vindt? Met een professioneel parcours als het hare zou je bijna het tegendeel verwachten, maar wat Christine Mussche het meest kan bekoren, is de mens. ‘Hoe wij in elkaar zitten, dat interesseert mij ongelooflijk.’

Al 35 jaar werkt Mussche als strafpleiter, met een expertise in zedenmisdrijven. Zo staat ze in de zaak rond televisiemaker Bart De Pauw de vrouwen bij die zich burgerlijke partij hebben gesteld. Het grote publiek leerde haar al eerder kennen, toen ze slachtoffers van seksueel misbruik door katholieke priesters vertegenwoordigde. Het gerechtelijk onderzoek naar het misbruik, de zogenoemde Operatie Kelk, loopt nog altijd. In de burgerlijke zaak wordt eerstdaags een uitspraak verwacht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

‘Ik kom uit een warm nest,’ zegt ze, ‘waarin ik ongeschonden ben mogen opgroeien. Een nest waarin ook veel gelachen werd. Dat heeft me de fundamenten gegeven om de schrijnendste zaken te kunnen aanhoren zonder mijn evenwicht te verliezen. Ik denk dus wel dat ik sterke schouders heb. Een verhaal kan me erg aangrijpen, maar in een professionele context laat ik dat zelden blijken. Ik heb nooit de behoefte gehad aan een therapeut om over mijn werk te praten. Hoe zwaar de verhalen overdag soms ook zijn, als ik mijn kinderen hoor of zie, valt al die zwaarte weg. Zij zijn mijn belangrijkste uitlaatklep, we hebben een intens contact. Sinds kort is er ook een kleinkind. Heel plezierig.’

Ooit vroeg een professor van de VUB haar of ze besefte dat ze een rolmodel was voor veel vrouwelijke rechtenstudenten. ‘Dat leek me toch wat sterk. Ik sta stevig met mijn voeten op de grond, ik kan zoiets goed relativeren. Wat niet wegneemt dat ik graag meer vrouwelijke strafpleiters zou zien. Ik denk dat vrouwen meer geïnteresseerd zijn in de mens achter de dader. In het strafrecht wordt de menselijke benadering van een gepleegd feit nog weleens stiefmoederlijk behandeld, terwijl ze essentieel is, naast de technisch-juridische.

De sector waarin u gespecialiseerd bent, het zedenstrafrecht, wordt vaak niet goed begrepen, vindt u.

Omdat het meestal gaat om een complex samenspel van enerzijds omgevingsfactoren en anderzijds neurologische, psychologische en genetische factoren. Het is materie waarover veel ongefundeerde meningen bestaan. Dat stoort me soms.

Onlangs was er nog het bericht van een man die op een vrijgezellenweekend in Gent een veertienjarig meisje verkrachtte, en daarvoor twee jaar met uitstel kreeg. Begrijpt u dat daar publieke verontwaardiging over bestaat?

Die verontwaardiging mag zeker bestaan. Het verhaal van het slachtoffer mag nooit geminimaliseerd worden. Helaas gebeurt dat al te vaak, wat zelfs tot bijkomende schade leidt. Maar het leed van een slachtoffer mag ons niet beletten om ook te luisteren naar het verhaal van de dader. Niet om zijn of haar daden goed te praten, wel om ze te analyseren. Dat is wat wij de duiding noemen: hoe komt het dat iemand tot deze fouten is gekomen? Hebben zijn of haar mogelijkheden, gebreken, voorgaande geschiedenis of karakter daartoe bijgedragen? Die duiding kan een meerwaarde bieden bij de strafbepaling. Moet de dader naar de gevangenis? Of gaan we bestraffen en therapie aanbieden, om ervoor te zorgen dat hij of zij niet hervalt? Strafrecht is maatwerk, omdat elk zedenfeit anders is.

Tijdens een lezing hoorde ik kinderpsychiater Peter Adriaenssens een tijd geleden zeggen dat er in de publieke opinie veel minder begrip is voor dadertherapie vergeleken met dertig, veertig jaar geleden.

De roep om repressie is luider dan ooit. En dat is jammer, want er is net veel meer kennis dan vroeger over de impact van verschillende factoren, en hoe therapie daar een antwoord op kan bieden.

Een gevangenisstraf is overigens niet wat alle slachtoffers het belangrijkste vinden. Vaak is het hun vooral te doen om de erkenning van het leed dat hun is aangedaan, om begrip voor de oorzaken van de feiten, en om begeleiding van de dader, zodat die iemand anders niet hetzelfde kan aandoen. Vooral mensen die het verst afstaan van de zaak roepen het luidst om vergelding.

U staat soms ook daders van seksueel misbruik bij. Dat heeft u al kritiek opgeleverd.

Van mijn cliënten krijg ik daar nooit commentaar op, omdat zij weten hoe ik in elkaar zit. En kritiek van mensen die me niet kennen, raakt me niet echt. Ze bereikt me ook zelden, want ik hou me niet bezig met social media. Wat me wel stoort zijn onwaarheden in de reguliere pers die de fundamenten raken van hoe ik mijn beroep uitoefen. Blijkbaar moeten advocaten blijven uitleggen dat een dader evenveel recht heeft op bijstand als een slachtoffer. En dat de duiding waarover ik het daarnet had nuttig is. Op die manier kunnen we niet alleen beter begrijpen en oordelen, we kunnen ook beter aan preventie doen. Daar heeft de hele maatschappij baat bij. Ik zal u een voorbeeld geven. Ooit kreeg ik een echtpaar voor me waarvan de man ineens seksuele handelingen had gepleegd met zijn kleinkinderen, terwijl zijn gedrag altijd onberispelijk was geweest. Achteraf bleek een hersentumor de oorzaak te zijn. Na die medische vaststelling is mijn cliënt niet vervolgd geworden door het Openbaar Ministerie. Je zult maar eens de dochter of de partner zijn van die man. Dan heb je wél graag dat een dader bijstand krijgt.

Als advocaat zie je het grotere geheel, niet alleen het misdrijf. Elke keer opnieuw zit er een mens voor mij die één grote zwarte vlek heeft, maar vaak ook veel goede dingen heeft gedaan. Dat is het humane aan mijn vak. En dat vind ik er ook het mooist aan.

Bent u ooit misleid door cliënten?

Ik kan me natuurlijk alleen baseren op wat de deskundigen zeggen in een zaak en op wat cliënten me vertellen. Maar ik leg hen wel op de rooster. Ik moét helemaal begrijpen wat er is gebeurd. Daar haal ik mijn motivatie ook uit. Ik kan niet voluit pleiten als ik niet in een verhaal geloof. Ik ben passioneel, ik heb veel vuur in me. Ik moet ervoor kunnen gaan.

Als advocaten leggen wij bij het begin van onze loopbaan bovendien een belangrijke eed af. Wij worden geacht om niets te verdedigen wat we zelf niet rechtvaardig achten. Soms lijkt dat stevige devies ondergesneeuwd te raken, ook binnen onze eigen beroepsgroep.

De perceptie heerst dat advocaten in een rechtbank kunnen verdedigen dat hun cliënt geen moord gepleegd heeft, terwijl ze heel goed weten dat hij of zij het wél gedaan heeft.

Voor de meeste advocaten klopt dat niet, het zou betekenen dat wij professionele leugenaars zijn. Ik ben de dochter van een vader die zei: ‘Je bepaalt zelf waartoe je leent’. Dat is altijd in mijn hoofd blijven zitten. Welke vraag je ook gesteld wordt, je kunt altijd nee zeggen.

U bent volledig in het reine met uw geweten?

Ik hoop dat het niet pocherig klinkt, maar eigenlijk wel, ja. Ik ben streng voor de zaken die ik aanneem. Ik geef iemand graag het voordeel van de twijfel – daar ga ik ver in – maar als het niet uitgelegd raakt op een manier die ik kan begrijpen, behandel ik de zaak niet.

Tegenover uw cliënten moet u wellicht afstand houden, maar geldt dat ook voor uw privéleven?

Zeker niet met mijn kinderen en vrienden. (denkt na) Ik hoor soms wel dat ik afstandelijk kan zijn. Dat vind ik niet fijn, eerlijk gezegd. Ik ben natuurlijk groot, en blijkbaar kijk ik ook streng. Maar ik wíl niet streng zijn. Nu ja, meestal vinden de mensen mij toch tamelijk aangenaam nadat ze die eerste drempels van mij 1,84 meter en mijn blik hebben overwonnen.

We waren thuis overigens allemaal grote kinderen, mijn broer Johan was zelfs 2 meter. Ik heb vaak gehoord dat we niet naar beneden moesten kijken. Mijn moeder zij altijd: ‘Groot zijn is niet erg, maar je moet je recht houden.’ Grote mensen hebben soms de neiging om het hoofd en de schouders wat te buigen, maar ik heb dat dus nooit gedaan.

Uw vader was fotograaf en stichtte samen met zijn schoonbroers het bedrijf Spector. Is kijken voor u ook belangrijk?

Observeren hoort bij mijn werk. Lichaamstaal, emoties, gedragingen, houdingen lezen, ik doe het graag. Ik vind het interessant om iemand trachten te doorgronden vóór ik met hem of haar gesproken heb. Of ik dan vooral de scherpe randjes zie? Nee, eerder de goede kanten. Ik wil mild in het leven staan. Bij mij is het glas altijd halfvol. Je kunt dat soft vinden, maar mijn wereld is wel veel mooier dan van iemand die vooral de slechte kanten ziet.

Mild in het leven staan, is dat ooit een bewuste keuze geweest?

Ook dat heb ik van thuis meegekregen. Mijn ouders hebben ons allemaal heel veel vertrouwen gegeven. Tot op mijn achttiende heb ik op internaat gezeten – geen zorg, trouwens, ik heb daar geen trauma aan overgehouden, het was een leuke tijd (lacht) – en direct daarna ging ik op kot en de wijde wereld in. Natuurlijk heb ik in mijn studententijd dingen gedaan waarvan mijn ouders geen weet hadden, maar hun vertrouwen heb ik nooit fundamenteel beschaamd.

Het was dus een heel goede techniek, die van mijn moeder en vader. Ik heb ze later zelf toegepast op mijn eigen kinderen, en ook bij hen heeft ze gewerkt.

Ik las dat u eind 2017 last kreeg van hartkloppingen en ademhalingsproblemen, wellicht door stress.

Wellicht, want ik ben toen binnenstebuiten gekeerd door allerlei dokters en er is nooit iets gevonden. Nu ja, ik heb die stress in ons beroep altijd overroepen gevonden. Voor Walter (Van Steenbrugge, haar vennoot, nvdr) is dat anders, hij staat veel meer in de vuurlinie dan ik. Maar bij mij is de werkdruk best te doen. Ook omdat ik mijn werk zo plezierig vind.

Was het de eerste keer dat er lichamelijk iets haperde bij u?

Ik denk het wel, ja.

Deed het u schrikken?

Het was toch confronterend. Weet u, tegen mijn zus, met wie ik heel goed overeenkom, zei ik rond mijn veertigste geregeld: ‘Als ik sterf, mag je daar niet mee inzitten, ik heb al veel plezier en geluk gehad, dus daar moet je blij om zijn als ik dood ben, en je moet vooral goed voor mijn kinderen zorgen.’ Maar toen ik ineens die hartkloppingen kreeg, kon ik dat niet meer zeggen. Ik dacht vooral: eigenlijk wil ik er nog lang zijn.

Blijkbaar zit ik rond mijn zestigste in een gelukkigere periode dan rond mijn veertigste. Ik weet ook niet zo goed waarom (lacht). Misschien zou ik toch eens naar een therapeut moeten gaan, gewoon om daar zicht op te krijgen. Het lijkt alsof ik nog meer gebonden aan het leven ben geraakt.

Bent u ook rustiger geworden?

Ja. Vroeger was ik een pak onzekerder. Niet dat ik nu de zelfbewustheid zelve ben, maar ik kan tenminste denken: het is misschien niet perfect, maar het is zeker oké en dat is ook goed. Twintig jaar geleden vond ik altijd dat het niet goed genoeg was. Dat veroorzaakt veel onrust in je hoofd.

U hebt uw vader verloren toen u nog studeerde. In 2001 stierf uw broer en negen jaar later uw moeder. Bent u zelf bang voor de dood?

Ik ben geen angstig mens, eerder een durver. Maar ik zou het wel jammer vinden om nu te sterven. Omdat de band met mijn kinderen zo hecht is, en omdat mijn kleinkind er nu ook is. (stokt even) Mijn kinderen zeggen mij ook dat ze me nog hard nodig hebben. Niet als babysit, maar als klankbord. Dat houdt me gaande.

Voor uw moeder moet het erg moeilijk geweest zijn om een man en een zoon te verliezen. Hoe heeft zij dat verdriet gedragen?

Ze is heel verdrietig gebleven, maar ze is er op een moedige manier mee omgegaan. We konden er niet altijd over spreken, maar dan huilden we er samen om, dat hielp even goed. Net zoals zij ben ik vooral dankbaar om wat er is geweest. Om wie mijn vader en mijn broer waren. En ja, ook om het feit dat vier van de vijf kinderen er nog zijn. Gisteren dacht ik nog: ik leef al tien jaar langer dan mijn broer.

Er zijn mensen die bij rampspoed zeggen: ‘Waarom moet mij dit overkomen’, maar zulke redeneringen kan ik moeilijk volgen. De natuur en het lot zijn blind. Twee leden uit hetzelfde gezin die te vroeg sterven, dat is veel, zeker, maar de dood treft iedereen. Dat besef is er altijd geweest. Ook bij mijn moeder. De dood van mijn vader en mijn broer heeft ons nooit opstandig gemaakt. Het hoort bij het leven.

Ook hartzeer hoort bij het leven. Hebt u dat ooit gehad?

Natuurlijk. De eerste keer bij het overlijden van mijn vader. Dat was een zware klap. En enkele jaren geleden opnieuw, toen mijn goede vriendin Marleen gestorven is (zwijgt en veegt haar tranen weg).

Ik studeerde samen met Marleen, en toen ze 19 was, kreeg ze een hersenbloeding. Alle dokters voorspelden dat ze nauwelijks nog zou functioneren, maar uiteindelijk heeft ze tegen alle verwachtingen in haar rechtenstudie afgemaakt. Onlangs kreeg ze opnieuw een hersenbloeding en is ze eraan gestorven. Dat heeft me echt hartenpijn bezorgd. Letterlijk.

Laat u die pijn toe?

Ik blijf functioneren en werken, maar ik laat die pijn wel volop toe, ja. In mijn persoonlijk leven wil ik geen dam hebben tegen mijn emoties. Ik zou niet weten waarom dat nodig is.

Marleen en ik hebben bijna ons hele leven gedeeld. Mijn kinderen zagen haar graag, en ook de vader van mijn kinderen kende haar goed. Ik zit eigenlijk nog volop in de rouw. Haar dood heeft me tot diep in mijn ziel geraakt. Dat is de prijs die je betaalt als je mensen intens graag ziet. Waar de hechting zit, zit ook de pijn. Maar het is een prijs die ik graag betaal.

Na verloop van tijd bieden de herinneringen wel troost. Nog elke dag denk ik met heel veel warmte aan mijn vader terug, of herinner ik me zijn afwezigheid als een ongelooflijk cadeau dat ik gekregen heb. Hij was 64 toen hij stierf, na een lange ziekte, mijn broer 52 en Marleen 58. Veel te jong allemaal. Life can be very hard, gruesome and short. Maar het is niet anders. En ik weet dat ze blijmoedige mensen waren die het leven mooi vonden. Dat is de grootste troost van allemaal.

Laten we dus maar vooral verder gaan. En plezier hebben. ‘Wees ernstig als het moet, maar maak zo veel mogelijk plezier’, hebben mijn ouders ons altijd meegegeven (glimlacht). Een betere levensles kun je niet krijgen.

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2019-05-21T14:38:25+00:00