>Over de toestand in de Belgische gevangenissen
gevangenissen

Door Joachim Meese en Pieter-Bram Lagae– 02/08/2016 – In de kijker

over de toestand in de belgische gevangenissen

Recent werd in het nieuws bericht over de schrijnende toestand in de gevangenis van Quezon in Manila (Filipijnen) waar maar liefst 3.800 gedetineerden verblijven in een instelling die slechts 800 plaatsen telt. De beelden van de levensomstandigheden daar zijn dan ook ronduit hallucinant.

Alhoewel de toestand in de Belgische gevangenissen daarmee uiteraard helemaal niet te vergelijken is, is de situatie ook bij ons toch erg verontrustend. De staking door cipiers eerder dit jaar heeft dat nogmaals pijnlijk duidelijk gemaakt.

Detentie van geïnterneerden

Nog voordat de cipiers beslisten om langdurig te staken (uiteindelijk werd anderhalve maand gestaakt, met aanvang eind april 2016), was de Belgische Staat al een aantal keer veroordeeld door het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) voor de wijze waarop het in de gevangenissen omging met geïnterneerden (geesteszieken). Lees over deze problematiek zeker ook ons eerder bericht.

Het EHRM oordeelde al in meer dan 10 arresten dat het gebrek aan psychiatrische zorgverstrekking voor de geïnterneerden een schending met zich meebracht van het recht op een menswaardige behandeling (artikel 3 van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens, hierna EVRM).

Het eerste arrest uit die lange reeks van veroordelingen betrof het arrest L.B. – het ging trouwens om een cliënt van ons kantoor – van 2 oktober 2012 waarin het EHRM het volgende argumenteerde (eigen vertaling):

“Het Hof stelt vast dat de zaak van verzoeker niet geïsoleerd is. Uit de stukken die door de partijen werden toegevoegd, en uit de stukken die het Hof ambtshalve heeft geraadpleegd (paragrafen 72-75), blijkt in België, op algemene wijze, dat tal van geïnterneerden wachten op hun transfer naar een instelling van sociale bescherming of naar een privé-instelling, en zich inmiddels bevinden in een vergelijkbare situatie als verzoeker, met name afgesneden van de therapeutische zorgen die kunnen bijdragen aan een succesvolle reïntegratie in het sociale leven. Deze feitelijke toestand werd door de minister van Justitie zelf bevestigd (paragraaf 72). De centrale raad van het toezicht op het gevangeniswezen bevestigt dat de psychiatrische zorgverstrekking een schreeuwend tekort vertoont, zowel wat betreft geïnterneerden, als wat betreft ‘gewone’ gedetineerden, en dat de situatie voortdurend verergert naarmate de gevangenisbevolking blijft toenemen (paragraaf 73). Zowel het CPT, als de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa, als het comité tegen foltering, als het comité ter bescherming van de rechten van de mens van de Verenigde Naties, én tenslotte ook het internationaal toezicht op het gevangeniswezen drukken hierover, op herhaalde wijze, een gedeelde bezorgdheid uit.”

Deze overweging werd trouwens letterlijk herhaald in nog drie andere arresten, elk van 10 januari 2013 (met name de arresten DUFOORT, SWENNEN en CLAES), waarbij de Belgische Staat telkenmale werd veroordeeld (het ging daarbij telkens over de situatie van geïnterneerde geesteszieken).

Langdurige cipiersstaking

In de nasleep van deze talrijke veroordelingen brak eind april 2016 op de koop toe dus een algemene staking van de cipiers in de Franstalige Belgische gevangenissen uit en in de twee gevangenissen in Brussel (Vorst en Sint-Gillis). In Vlaanderen werd niet gestaakt.

Tijdens de langdurige staking van de cipiers kwam de penibele situatie van ‘gewone’ gedetineerden die reeds door het EHRM aan de kaak werd gesteld (zie hierboven), volledig tot ontploffing.

Tal van gedetineerden werden afgesneden van hun meest fundamentele basisrechten (voldoende voeding, medische zorgen, sanitaire mogelijkheden, menselijk contact), en sommigen stapten daarom naar de kortgedingrechter.

Met succes: de Belgische Staat werd tot verschillende malen veroordeeld, met opleg van aanzienlijke dwangsommen.

De motivering van bijvoorbeeld de kort geding rechter te Brussel was in een uitspraak van 17 maart 2016 als volgt (zie Journal des Tribuneaux 2016, afl. 6646, 297):

“Art. 3 EVRM verplicht de staat om er in de fase van de strafuitvoering voor te zorgen dat elke gevangene wordt opgesloten in omstandigheden die verenigbaar zijn met de eerbiediging van de menselijke waardigheid, dat de modaliteiten van zijn detentie hem niet blootstellen aan een ontreddering of een beproeving die zo sterk is dat ze het onvermijdelijke niveau van lijden dat eigen is aan een dergelijke maatregel overstijgt en dat rekening houdend met de praktische eisen van de opsluiting, zijn gezondheid en zijn welzijn adequaat zijn gewaarborgd.

De eerbiediging van art. 3 EVRM houdt zeer concreet in dat wat de materiële detentievoorwaarden betreft, de gedetineerden niet als objecten worden behandeld, wat wil zeggen dat ze zelfs in geval van staking van de penitentiair beambten recht hebben, met name op grond van de basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van gedetineerden, op een minimum aan activiteiten en met name moeten kunnen beschikken over een minimum aan lichamelijke oefeningen en sport, naast een dagelijkse wandeling of een andere recreatieve activiteit; om met hun familie en hun advocaat te telefoneren; en bezoek te ontvangen van hun familie en van hun advocaat.”

De kort geding rechter veroordeelde de Belgische staat tot het betalen van 1.500 euro dwangsom per dag en per inbreuk, en met bevel tot uitvoering van vijf maatregelen:

  1. het verstrekken van voldoende voeding,
  2. medische zorg,
  3. gebruik van douche,
  4. propere kleren,
  5. en een propere matras.

Ook de beslissing van de correctionele rechtbank van Luik van 18 mei 2016 is tekenend (corr. Luik, 17e kamer, 18 mei 2016, JLMB 2016, 1051): een beklaagde die een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling had ingediend werd vrijgelaten omwille van de vaststelling dat een menswaardige detentie niet langer kon worden gewaarborgd.

Alvast de rechterlijke macht was dus van oordeel dat paal en perk gesteld moest worden aan de ‘barbaarse toestanden’, en onrechtstreeks ook dat gedetineerden niet langer naar het EHRM te Straatsburg moeten trekken om daar hun gelijk te halen.

Deze doortastende rechtspraak is al te lang uitgebleven en dat heeft er wellicht mede toe geleid dat te weinig werd gedaan om de situatie in de Belgische gevangenissen te verbeteren.

En wat na de stakingen?

Men mag trouwens niet de vergissing begaan te denken dat alles opgelost is met het einde van de stakingen.

Zo is ook het arrest van het EHRM van 25 november 2014 in de zaak VASILESCU t. België erg duidelijk. Kort geschetst ging het over het volgende. Vasilescu zat vanaf 10 oktober 2011 in de gevangenis van Antwerpen en werd op 23 november 2011 overgeplaatst naar Merksplas. Daar verbleef hij tot 22 oktober 2012. Tijdens zijn detentie in Antwerpen heeft hij in verschillende cellen vertoefd, waarvan door het EHRM telkens de totale en de individuele oppervlakte werd bekeken. Gedurende de eerste acht dagen betrof het een cel van 18,4 m2 voor vier gedetineerden (dus 3,68 m2 per persoon, weliswaar nog te verminderen met de ruimte in beslag genomen door meubels en sanitair). Aangezien er maar drie bedden ter beschikking waren, diende een van de vier te overnachten op een matras op de grond. De volgende vijftien dagen zat Vasilescu met twee andere gedetineerden in een cel van 8,4 m2 (dus 2,8 m2 te verminderen met de ruimte in beslag genomen door meubels en sanitair). Opnieuw moest iemand op een matras op de grond slapen. De volgende tien dagen deelde hij een cel van 10,4 m2 met een andere gedetineerde en de laatste 12 dagen in Antwerpen betrof het een cel van 9,12 m2 eveneens te delen met een medegedetineerde. Gedurende het gehele verblijf te Antwerpen moest verzoeker zijn cel delen met rokers, waarover hij zijn beklag deed bij de gevangenisadministratie. Er werd hem echter geantwoord dat hij “niet op hotel” zat. Na zijn overplaatsing naar Merksplas, zat hij gedurende in totaal zestig dagen in een cel van 8,6 m2 samen met een andere (opnieuw rokende) gedetineerde. Het betrof een cellenblok waarvan de cellen overdag geopend worden, zodat de gedetineerden de toiletten in de gang kunnen gebruiken. Tijdens de nacht staat er in elke cel een pot. Daarnaast zat de verzoeker ook nog zowat zes maanden in een cel van 18,4 m2 samen met drie andere (en alweer rokende) gedetineerden.

Het EHRM vond dit alles niet verenigbaar met het verbod op onmenselijke behandeling en bestraffing dat artikel 3 EVRM inhoudt. Zo stelde het Hof onder meer dat het feit dat Vasilescu gedurende 15 dagen over minder dan 3 m2 beschikte, op zich al volstaat om een schending van artikel 3 EVRM aan te nemen. De toestand van Vasilescu werd nog verergerd doordat hij herhaaldelijk op een matras op de grond moest overnachten, wat in strijd is met de gehanteerde regel dat elke gedetineerde over een bed moet kunnen beschikken. Ook wees het Hof er op dat het niet acceptabel is dat sanitaire voorzieningen niet behoorlijk afgescheiden zijn in een ruimte die door gedetineerden moet worden gedeeld. Ook de nachtelijke pot kan voor het Hof niet door de beugel. Ten slotte werd nog het feit gehekeld dat de verzoeker tegen zijn wens in werd blootgesteld aan passief roken, te meer daar de verzoeker maar een beperkte tijd buiten zijn cel kon verblijven.

Dat zijn dan ook erg concrete richtlijnen waaraan ook de Belgische Staat zich te houden heeft.

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2018-06-05T22:13:00+00:00