>Nu ook volwaardig inzagerecht in het opsporingsonderzoek
inzagerecht

Door Joachim Meese en Wahib El Hayouni – 26/01/2017 – In de kijker

nu ook volwaardig inzagerecht in het opsporingsonderzoek voor de verdachte

Uit een arrest van 25 januari 2017 van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de verdachte die tijdens een opsporingsonderzoek geconfronteerd wordt met een weigering van zijn verzoek tot inzage of afschrift van het strafdossier, moet kunnen beschikken over een volwaardig inzagerecht. Dat betekent dat waneer de procureur des Konings een verzoek tot inzage van een verdachte weigert, tegen die weigering voortaan hoger beroep kan worden ingesteld. Daarmee brokkelt het onderscheid tussen het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek nog verder af.

Opsporingsonderzoek versus gerechtelijk onderzoek

Een strafrechtelijk vooronderzoek kan de vorm aannemen van een opsporingsonderzoek (artikel 28bis e.v. van het Wetboek van Strafvordering), of een gerechtelijk onderzoek (artikel 55 e.v. van hetzelfde wetboek). Dat zijn twee verschillende scenario’s die kunnen worden gevolgd om het onderzoek naar bezwarende elementen te voeren. Of er al dan niet een gerechtelijk onderzoek komt, hangt af van het initiatief van het openbaar ministerie of de benadeelde en van de onderzoeksmaatregelen die moeten worden gesteld.

Oorspronkelijk kende het wetboek van strafprocesrecht enkel een gerechtelijk onderzoek en geen opsporingsonderzoek. Elk vooronderzoek werd dus gevoerd onder leiding van een onderzoeksrechter, die als onafhankelijke en onpartijdige rechter waakte over het spaarzaam en gerechtvaardigd gebruik van dwangmiddelen. De wetgever opteerde er ook over om een filterprocedure te voorzien na het gerechtelijk onderzoek (de regeling der rechtspleging) waarbij de raadkamer achter gesloten deuren moet oordelen of er wel voldoende bezwaren zijn om de zaak te verwijzen naar de vonnisrechter, waar de beklaagde aan een publieke procedure wordt blootgesteld.

De logica van dat systeem werd doorbroken doordat in de praktijk de gewoonte is ontstaan om niet altijd een gerechtelijk onderzoek te voeren, maar enkel een opsporingsonderzoek. Alhoewel het opsporingsonderzoek al erg lang bestond, werd het pas in het wetboek ingeschreven in 1998.

Anders dan het gerechtelijk onderzoek, wordt het opsporingsonderzoek niet geleid door een rechter, maar door de procureur des Konings. De procureur des Konings beschikt wel over minder bevoegdheden dan de onderzoeksrechter, al heeft de wetgever hem de laatste jaren heel wat extra bevoegdheden toebedeeld. Het opsporingsonderzoek kent op het einde ook geen filterfase: het is de procureur des Konings zelf die mag beslissen of een zaak al dan niet voor de rechter wordt gebracht.

Door het ontbreken van die filterfase is het opsporingsonderzoek voor het openbaar ministerie ook veel aantrekkelijker. In de praktijk worden zeker 90% van de vooronderzoeken door middel van een opsporingsonderzoek gevoerd. Enkel wanneer bepaalde dwangmaatregelen noodzakelijk zijn die onmogelijk in het opsporingsonderzoek kunnen plaatsvinden (zoals een vrijheidsberoving van meer dan 24 uur of een telefoontap), zal de procureur des Konings zich genoodzaakt zien een gerechtelijk onderzoek te vorderen. Voor veel dwangmaatregelen waarvoor enkel de onderzoeksrechter bevoegd is, bestaat echter nog een achterpoortje, de zogenaamde mini-instructie. In dat geval kan de procureur des Konings de onderzoeksrechter verzoeken om de desbetreffende onderzoekshandeling uit te voeren, waarna het opsporingsonderzoek in beginsel verder kan. Daarnaast is er ook nog de betrapping op heterdaad, waarbij de bevoegdheid van de procureur des Konings wordt uitgebreid.

Afbrokkeling van het onderscheid tussen het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek

Het uitgangspunt is dat er in een opsporingsonderzoek, behalve wanneer de wet het toch voorziet, geen dwangmaatregelen kunnen worden gebruikt die een schending inhouden van de individuele rechten en vrijheden (artikel 28bis van het Wetboek van Strafvordering).

De laatste jaren groeiden de beide vormen van vooronderzoek echter steeds meer naar elkaar toe door allerhande wetswijzigingen. Zo werd de figuur van de mini-instructie nog uitgebreid door de potpourri II-wet, waardoor ook een huiszoekingsbevel via mini-instructie kan worden bekomen.

Ook de rol van de onderzoeksrechter wordt door de wetgever in vraag gesteld. Het ziet er namelijk naar uit dat de wetgever uiteindelijk (in het kader van de invoering van een nieuw wetboek van Strafvordering waarover een door de minister van Justitie aangestelde commissie zich thans buigt) afstand zal nemen van het huidige ‘tweesporenstelsel’ en dus zal evolueren naar één enkel type van vooronderzoek.

Gelijke rechten in opsporingsonderzoek en gerechtelijk onderzoek?

Een verdachte kan zelf niet kiezen of het onderzoek dat tegen hem gevoerd wordt, een opsporingsonderzoek dan wel een gerechtelijk onderzoek is. Toch zijn er verschillen tussen beide scenario’s wat de rechten van partijen betreft.

Een voorbeeld daarvan doet zich voor wanneer een belanghebbende partij (bijv. een verdachte of een benadeelde) tijdens een lopend onderzoek inzage vraagt in het strafdossier (artikel 21bis Sv. juncto artikel 61ter van het Wetboek van Strafvordering).

Tijdens een gerechtelijk onderzoek is er een wettelijk voorziene beroepsmogelijkheid tegen de beslissing waarin de onderzoeksrechter weigert toelating te verlenen tot inzage en/of afschriftname van het strafdossier. Deze beroepsmogelijkheid bestaat echter niet wanneer het openbaar ministerie aan een partij weigert om inzage te verlenen tijdens het opsporingsonderzoek.

Dat verschil in behandeling schendt – althans wat de verdachte betreft – het gelijkheidsbeginsel, zo stelt het Grondwettelijk Hof in het hoger aangehaalde arrest. Het Hof wijst er ook op dat het openbaar ministerie de rol van vervolgende partij op zich neemt en dus niet als onpartijdig kan worden beschouwd (overweging B.5.2). De verdachte moet dus kunnen beschikken over een daadwerkelijk rechtsmiddel in geval zijn verzoek tot inzage of afschrift wordt geweigerd door het openbaar ministerie.

Belangrijk is verder dat het Grondwettelijk Hof onmiddellijk in een oplossing voorziet en dus niet uitsluitend de bal terugkaatst naar de wetgever.

Uit overweging B.7.2.van het arrest blijkt immers dat het Hof aan de rechter oplegt om in afwachting van tussenkomst van de wetgever de procedure die van toepassing is op het gerechtelijk onderzoek naar analogie toe te passen. Concreet betekent dit dat de verdachte hoger beroep kan aantekenen tegen de weigering tot inzage en dat daarover zal beslist worden door de kamer van inbeschuldigingstelling. Een gelijkaardige situatie bestaat trouwens al bij de weigering tot opheffing van een beslagmaatregel door het openbaar ministerie.

Wel moet worden opgemerkt dat het arrest niets zegt over de situatie van andere belanghebbende partijen dan de verdachte. Die zullen zich dus niet op het arrest kunnen beroepen om voor te houden dat zij eveneens hoger beroep moeten kunnen instellen tegen de weigering tot inzage. Die situatie doet dan ook meteen een nieuwe vraag ontstaan, namelijk of het onderscheid tussen de verdachte en de overige belanghebbende partijen wel verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel …

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2018-06-05T22:04:11+00:00