>Weten en willen in het aansprakelijkheidsrecht
aansprakelijkheidsrecht

Door Stefaan Sonck – 31/03/2017 – Publicaties

weten en willen in het aansprakelijkheidsrecht

Met een kort maar duidelijk arrest van 9 februari 2017 (AR C.13.0143.F) heeft het Hof van Cassatie, op strijdige conclusie van het openbaar ministerie, een belangrijk beginsel van het aansprakelijkheidsrecht verduidelijkt: het wetens en willens overtreden van een wettelijke of reglementaire bepaling veronderstelt niet dat de ‘dader’ zich ook bewust is van de overtreding.

Het (al)gemeen buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht werd in 1804 omschreven in een handvol artikelen. Geen wonder dat de rechtspraak en rechtsleer die zich daarover ontwikkelden, zich omgekeerd evenredig verhouden tot deze beknopte regelgeving. De rechtspraak, zeker die van het Hof van Cassatie, kende door de jaren heen, verschillende hot items. De overheidsaansprakelijkheid, het gebrek van de zaak, de doorbreking van de oorzakelijkheid door een eigen juridische oorzaak, het rechtmatig alternatief… om er maar enkele te noemen. De auteurs die zich verdiep(t)en in (onder meer) het aansprakelijkheidsrecht behoren tot het kransje BJ’s: Kluyskens, Dalcq, De Page, Dekkers, Cornelis, Van Oevelen, Van Ommeslaghe en alle andere Fagnarts. Ze droegen/dragen allen bij tot de onuitputtelijke literatuur over het aansprakelijkheidsrecht.

Minister van Justitie Geens wil in zijn ‘sprong naar het recht voor morgen’ een aantal wetboeken hercodificeren. In het aansprakelijkheidsrecht wil men de door de jurisprudentie ontwikkelde principes boekstaven. Het ziet er naar uit dat we binnenkort dus over méér dan een handvol artikelen zullen beschikken om aansprakelijkheidsgeschillen te beslechten. Ondertussen vertrouwen we verder op de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Het arrest van 9 februari 2017 is een zoveelste puzzelstukje.

Elektriciteitsmast

Enkele jaren nadat een hoogspanningsmast voor elektriciteit was ingeplant, waarvoor een grondenruil was tot stand gekomen, bleek de mast toch voor zo’n 170 m² op andermans grond te staan. De eigenaar van de grond had bouwplannen en stelde bijgevolg een vordering tot het weghalen van de mast, minstens tot schadevergoeding.

Na een ommetje bij het Grondwettelijk Hof (arrest 157/2010), dat besliste dat artikel 26 van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt door te voorzien in een te korte verjaringstermijn van één jaar, en nadat de appelrechter had beslist dat de ‘gedupeerde’ zich niet kon beroepen op artikel 16, vierde lid van de wet van 10 maart 1925 (dat aan de eigenaar van een niet bebouwd en niet ommuurd perceel toelaat te eisen dat de mast zou worden weggehaald om zijn bouwplannen te kunnen realiseren), belandde men ten slotte in het aansprakelijkheidsrecht. Daarbij rees de vraag of de firma die de elektriciteitsmast had laten inplanten een fout had begaan in de zin van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, waardoor ze tot schadevergoeding kon worden veroordeeld.

Zo’n fout wordt meestal beoordeeld op grond van het gedrag van een normaal zorgzaam en voorzichtig persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden. De lichtste fout volstaat. Daarnaast, en dus zonder dat men tot die afweging moet overgaan, aanvaardt men dat de materiële overtreding van een wettelijke of reglementaire bepaling (die een gedraging oplegt of verbiedt) op zichzelf een fout uitmaakt die leidt tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de pleger, mits die overtreding willens en wetens is begaan. Gesteld wordt dat naast de materiële overtreding van de norm, immers ook een moreel element wordt vereist.

De feitenrechter oordeelde in deze zaak weliswaar dat het inpalmen van andermans grond een overtreding van de wettelijke bepalingen over het eigendomsrecht uitmaakte, maar was ook van oordeel dat het moreel element ontbrak om te kunnen gewagen van een fout, omdat niemand zich op het ogenblik dat de elektriciteitsmast werd geplaatst, bewust leek te zijn van het feit dat men zich op andermans grond begaf. De feitenrechter was dus van oordeel dat de vergoedingsaanspraak niet ingewilligd kon worden op grond van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, maar moest worden beoordeeld op grond van de beginselen over burenhinder, die voor de benadeelde minder gunstig zijn. Tegen die beslissing tekende de gedupeerde eigenaar cassatieberoep aan.

Ofschoon de eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie van oordeel was dat de feitenrechter op grond van zijn bevindingen kon besluiten tot het gebrek aan fout in de zin van artikel 1382, volgde het Hof van Cassatie dat standpunt niet. Gesteld wordt dat, om te kunnen gewagen van een fout, niet vereist is dat men zich bewust is van de overtreding van een wettelijke of reglementaire bepaling. En aangezien de feitenrechter evenmin een onoverwinnelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond vaststelt, is zijn beslissing om de aansprakelijkheid op grond van fout uit te sluiten, bijgevolg niet wettig gerechtvaardigd.

We kijken alvast met belangstelling uit naar de nieuwe codificatie van het aansprakelijkheidsrecht. Een handvol bepalingen zal niet langer volstaan om alle nuances uit het aansprakelijkheidsrecht aan bod te laten komen.

Stefaan Sonck, Over willen en weten in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, De Juristenkrant 2017, 22 maart 2017, afl. 346, p. 9.

delen op

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

Blijft u graag op de hoogte
van onze visie op advocatuur
en de actualiteit?
Geïnteresseerd in lezingen of studiedagen?

schrijf u in op onze nieuwsbrief

2018-06-05T22:03:00+00:00